rul-20250909-apa-000004

20250909 APA 000004

Samenvatting

Aanleiding

Er is een multilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2018/2019 tot en met 2022/2023. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met boekjaar 2023/2024.

Feiten

X is een vennootschap gevestigd in Nederland en maakt onderdeel uit van de internationaal opererende Y-groep die actief is in de informatietechnologie sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [11 – 25] werknemers. A, B en Y zijn vennootschappen gevestigd buiten de Europese Unie en maken ook onderdeel uit van de Y-groep, waarvan Y het hoofdkantoor is. De Y-groep houdt zich bezig met het aanbieden van specifieke diensten. A, B en Y voeren operationele en strategische functies uit in hun betreffende regio’s. Daarbij bepalen zij tevens de marketingstrategie van de betreffende diensten en dragen zij de belangrijkste ondernemersrisico’s. X heeft een contract gesloten met A, B en Y om als tussenschakel te bewerkstelligen dat er tussen de regio’s gebruik kan worden gemaakt van de specifieke diensten en infrastructuur. De activiteiten van X zijn van routinematige aard en X loopt bij het uitvoeren van haar activiteiten beperkte risico’s.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het Verrekenprijsbesluit 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen “verrekenprijsbesluit”. Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

20250909 APA 000004
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van X in vergelijking met die van A, B en Y als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is derhalve aangemerkt als tested party.
3. Nadat de ondersteunende activiteiten van X at arm’s-length zijn beloond, vormt de restwinst de beloning voor de gebruikte immateriële activa en de daarmee (uitgeoefende) samenhangende functies. Vanwege de sterke verwevenheid van de activiteiten van A, B en Y is de restwinst verdeeld op basis van een Transactional Profit Split Methode, waarbij de (relatieve) bijdrage van elk van de partijen als basis is gebruikt voor de winstsplitsing.

Conclusie

De bij het multilateraal verzoek betrokken bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over de vergoeding voor de kernfuncties uitgeoefend door A, B en Y en de beloning voor de dienstverlenende activiteiten van X. De bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen dat X voor de dienstverlenende activiteiten een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet krijgt van [1% – 2%]. De restwinst komt toe aan A, B en Y. Deze overeenstemming is vervolgens uitgewerkt en geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X met een looptijd van 1 april 2018 tot en met 31 maart 2023. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend tot en met boekjaar 2023/2024.