rul-20250902-atr-000006

20250902 ATR 000006

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een fonds voor gemene rekening naar Nederlandse fiscale maatstaven. Men wenst zekerheid vooraf voor de jaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is vormgegeven als een fonds voor gemene rekening (het fonds), dat is aangegaan naar het recht van Nederland. Het fonds richt zich op het poolen van beleggingen voor investeerders, gevestigd in zowel Nederland als het buitenland. Y is de beheerder van het fonds. Y is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. Y is actief in de dienstverlenende sector en behoort tot een concern dat bedrijfseconomische operationele activiteiten uitoefent in Nederland. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [1 – 10] werknemers. Het doel van X is om beleggers samen te brengen (poolen) om zodoende door hen ingelegd kapitaal te beleggen. X koopt met het ingelegde kapitaal onroerend goed aan om dit vervolgens te verhuren aan derden. X oefent geen activiteiten uit die het beleggingscriterium van het fonds voor gemene rekening ontstijgen, zoals bijvoorbeeld projectontwikkelingsactiviteiten. Er is derhalve geen sprake van het anderszins aanwenden van gelden. Deelname van investeerders vindt plaats via participaties. In de fondsovereenkomst is bepaald dat de bewijzen van deelgerechtigdheid in X alleen kunnen worden vervreemd aan het fonds zelf.

Rechtskader

In het verzoek vraagt de beheerder van het fonds om zekerheid vooraf over de kwalificatie van het fonds voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet. Voor de kwalificatie van het fonds is artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb (de wettekst zoals deze geldt met ingang van 1 januari 2025), artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis van de Wet IB en het besluit van 27 november 2024, Stcrt. 2024, 38389 (Fondsenbesluit) relevant. Voorts is relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). 20250902 ATR 000006

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a, van het Besluit rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden voor situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. Deze bepaling inzake de economische nexus is niet van toepassing, omdat het gaat om de kwalificatie van een fonds. De kwalificatie van X is wel van belang voor de Nederlandse belastingheffing. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat het concern in dit geval in Nederland over economische nexus beschikt.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties. Evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Beoordeeld is of X als transparant kan worden aangemerkt.
4. Voor de kwalificatie van X is relevant dat in de wettelijke definitie van het fonds voor gemene rekening in artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb vijf vereisten zijn opgenomen. Voor wat betreft de definitie van het transparante fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB gelden er drie vereisten. Eén van de vereisten om te kwalificeren als een fonds voor gemene rekening is dat sprake moet zijn van bewijzen van deelgerechtigdheid die ‘verhandelbaar’ zijn. Zoals in de feiten is opgemerkt, is in het gegeven geval geen sprake van ‘verhandelbaarheid’ in de zin van onderdeel 5.1 van het Fondsenbesluit. Dit betekent dat het fonds niet heeft te gelden als een fonds voor gemene rekening. Aan de drie vereisten (een (i) afgescheiden vermogen dat (ii) belegt voor (iii) gemene rekening) om aangemerkt te worden als transparant fonds in de zin van artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB wordt wel voldaan. Derhalve kwalificeert X als een transparant fonds.
5. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat X voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet wordt aangemerkt als een transparant fonds.

Conclusie

X is voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2029.