rul-20250826-atr-000013

20250826 ATR 000013

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2020 tot en met 2024.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de Europese Unie (EU), waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (verdragsland A). Y is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land binnen de EU, waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (verdragsland B). Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land binnen de EU, waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (verdragsland C). H is (in)direct aandeelhouder van X, Y en Z en fungeert als het hoofdkantoor van X, Y en Z. H is een vennootschap naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de EU, waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (verdragsland D). Het concern is actief in de industriële sector. X, Y, Z en H zijn respectievelijk onderworpen aan een winstbelasting in de verdragslanden A, B, C en D. Z heeft verschillende werknemers (E), woonachtig in Nederland, in dienst die werkzaamheden voor X en Y verrichten. Zij verrichten hun werkzaamheden ten behoeve van X en Y deels vanuit hun woning in Nederland. Onderdeel van de werkzaamheden van E is dat deze personen met enige regelmaat binnen de EU reizen. De woningen van E staan niet ter beschikking aan X, Y en Z. De werkzaamheden die vanuit de woningen worden verricht zijn van ondersteunende aard. De functies van E brengen niet met zich mee dat zij de bevoegdheid hebben om – formeel dan wel feitelijk – overeenkomsten te sluiten namens X, Y en Z. Behoudens de activiteiten die E verrichten voor X, Y en Z in Nederland, verrichten X, Y en Z geen andere activiteiten in Nederland.

Rechtskader

Het verzoek van X, Y, en Z om zekerheid vooraf dat er geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Als sprake is van een vaste inrichting op basis van deze artikelen, dient op basis van de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A en het multilateraal verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (MLI) te worden bepaald of Nederland wel kan heffen. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal 20250826 ATR 000013karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
3. Er is aanvullende informatie opgevraagd ter onderbouwing van het standpunt van de verzoeker. X heeft daarop het verzoek ingetrokken

Conclusie

Er is geen zekerheid vooraf verstrekt omdat het verzoek is ingetrokken. De transactie zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.