rul-20250826-atr-000012

20250826 ATR 000012

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2025.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land A). X maakt deel uit van een internationaal opererend concern met een hoofdkantoor in land A. X is onderworpen aan een winstbelasting in land A. X is actief in de industriële sector en verricht in Nederland bouw- en installatiewerkzaamheden voor een derde partij (partij Y). Deze werkzaamheden vinden plaats op het terrein van partij Y en hebben een totale duur van meer dan twaalf maanden. De werkzaamheden zijn halverwege 2024 aangevangen en zijn voor het einde van 2025 afgerond. De werkzaamheden in Nederland worden uitgevoerd door ingeschakelde onderaannemers. Vanuit X is er een werknemer aanwezig in Nederland die verantwoordelijk is voor het projectmanagement. X oefent, buiten de voornoemde werkzaamheden, geen andere activiteiten in Nederland uit.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorgaande in onderlinge samenhang bezien met het belastingverdrag tussen Nederland en land A en het multilateraal verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (MLI) dat van toepassing is op het onderhavige belastingverdrag. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar vaste inrichting, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van de 20250826 ATR 000012vaste inrichting van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de transactie betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of X op basis van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig is. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger.
4. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ of ‘vaste vertegenwoordiger’ verstaan het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten is X gevestigd in een lidstaat van de EU waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag geheven kan worden.
5. Volgens de relevante bepalingen van het belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Indien deze activiteiten uitsluitend van ondersteunende aard zijn, is er geen sprake van een vaste inrichting. Daarnaast vormt een plaats van uitvoering van een bouwwerk of het uitvoeren van constructie- of installatiewerkzaamheden alleen een vaste inrichting indien de betreffende werkzaamheden langer dan twaalf maanden duren.
6. Aangezien de bouw- en installatiewerkzaamheden die X in Nederland worden uitgevoerd langer dan twaalf maanden duren, is er sprake van een vaste inrichting in Nederland.

Conclusie

Gelet op artikel 3, vierde lid van de Wet Vpb en de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en land A, oefent X haar onderneming voor de toepassing van de Wet Vpb uit met behulp van een vaste inrichting in Nederland. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025.