20250826 ATR 000007
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven, over de vestigingsplaats naar Nederlandse fiscale maatstaven en over de buitenlandse belastingplicht (afwezigheid vaste inrichting) voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X is een samenwerkingsverband aangegaan naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie, waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). X heeft een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 339) waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap. Het buitenlandse recht, waardoor X wordt beheerst, is niet (wezenlijk) gewijzigd ten opzichte van het buitenlandse recht in het kwalificatiejaar op de rechtsvormenlijst. De rechtsvorm van X heeft geen rechtspersoonlijkheid. X wordt, conform de geïmplementeerde Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG in verdragsland A, niet aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Tevens heeft X een rechtsvorm die niet vergelijkbaar is met een naamloze vennootschap (nv) of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv). Deelname van investeerders vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid. Uit de fondsvoorwaarden van X blijkt dat de bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden overgedragen aan derden. Het doel van X is om beleggers samen te brengen (poolen) om zodoende door hen ingelegd kapitaal te beleggen. Het kapitaal van X zal voornamelijk worden gebruikt om te investeren in fondsen onder het beheer van derden. X heeft geen invloed op de strategie van de fondsen waarin zij investeert of op de portfoliomaatschappijen waarin de fondsen investeren. X oefent hiermee geen activiteiten uit die het beleggingscriterium ontstijgen. X zal worden geregistreerd als alternatieve beleggingsinstelling bij de Autoriteit Financiële Markten. Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland, beschikt over een volledige Alternative Investment Fund Manager (AIFM) vergunning. Y zal optreden als de AIFM van X. X heeft haar statutaire zetel in verdragsland A. X beschikt niet over een AIFM vergunning in een lidstaat en heeft geen notificatie gedaan in een lidstaat, in de zin van Richtlijn 2011/61/EU. Y beschikt in Nederland over [1 – 10] werknemers om haar werkzaamheden uit te oefenen.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van X naar Nederlandse fiscale maatstaven. Buitenlandse rechtsvormen worden gekwalificeerd aan de hand van het Besluit 20250826 ATR 000007vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 339). Het hiervoor aangehaalde besluit geeft uitvoering aan de (onder andere) in artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode. Voor de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) is het Fondsenbesluit (Besluit van 27 november 2024, Stcrt. 2024, 38389) relevant. Het verzoek ziet ook op de vestigingsplaats van X op grond van artikel 4, vijfde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Tevens ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. In paragraaf 3, onderdeel a, van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden voor situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. Deze bepaling inzake de economische nexus is in dit geval niet van toepassing, omdat het gaat om de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm. De kwalificatie van X is wel van belang voor de Nederlandse belastingheffing. De bepaling inzake de economische nexus is in dit specifieke geval naar haar aard ook niet van toepassing voor de gevraagde zekerheid inzake de vestigingsplaats en de gevraagde zekerheid over afwezigheid van een vaste inrichting.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen en de daarbij als bijlage opgenomen rechtsvormenlijst zijn in het kader van de kwalificatie van X relevant. De rechtsvorm van X is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan wordt vermoed dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap. Zoals in de toelichting opgenomen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. In de feiten is opgemerkt dat van een wezenlijk wetswijziging geen sprake is. 20250826 ATR
0000074. Van de kwalificatie in overeenstemming met de rechtsvormenlijst wordt ook afgeweken indien het buitenlandse samenwerkingsverband voldoet aan de definitie van het fonds voor gemene rekening of transparant fonds zoals opgenomen in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB.
5. Om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening dient X (materieel) te worden aangemerkt als beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Relevant daarbij is het Fondsenbesluit en de daarin opgenomen voorwaarden. Ten eerste dient de beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten in de EU-lidstaat van herkomst van de instelling conform Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG niet te worden aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Ten tweede mag X niet een rechtsvorm bezitten die vergelijkbaar is met een nv of bv. Als voldaan is aan deze twee voorwaarden, dan is deze beleggingsinstelling voor de toepassing van artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb aan te merken als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. Aangezien X in verdragsland A niet wordt aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging en zij daarnaast een rechtsvorm bezit die niet vergelijkbaar is met een nv of bv (maar met een Nederlandse commanditaire vennootschap) kan worden geconcludeerd dat X materieel kwalificeert als een beleggingsfonds in de zin van 1:1 van de Wft.
6. X is vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening als zij tevens voldoet aan de overige voorwaarden van artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit relevant is. Daarbij kan er slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. Ook geldt als eis dat sprake moet zijn van verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Dit betekent dat alleen sprake kan zijn van een fonds voor gemene rekening als de bewijzen van deelgerechtigdheid (ook) aan derden kunnen worden vervreemd. Ook de verkoop aan een groepsmaatschappij en de verkoop aan bloed- en aanverwanten vormen in dit verband een vervreemding aan een derde. De bewijzen van deelgerechtigdheid worden niet als verhandelbaar aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds zelf.
7. Zoals in de feiten opgemerkt zijn de activiteiten van X gericht op het behalen van beleggingsvoordelen voor de deelgerechtigden omdat X geen activiteiten uitoefent die het beleggingscriterium ontstijgen. Er is sprake van voor gemene rekening beleggen omdat er meerdere deelgerechtigden delen in de beleggingsvoordelen van X. Daarnaast is het op basis van de fondsovereenkomst van X voor de deelgerechtigden mogelijk om de bewijzen van deelgerechtigdheid in X over te dragen aan andere deelgerechtigden of aan derden.
8. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat X voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet wordt aangemerkt als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening.
9. Artikel 4, vijfde lid, van de AWR bepaalt dat een alternatieve beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel k, van Richtlijn 2011/61/EU wordt geacht te zijn gevestigd in de lidstaat van herkomst, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel p, van die richtlijn, indien het lichaam is opgericht of aangegaan naar het recht van die lidstaat, en het doel en de feitelijke werkzaamheid van het lichaam uitsluitend bestaan in het beleggen van vermogen.
10. Nu X niet over een AIFM vergunning beschikt of een notificatie heeft gedaan in een lidstaat, is de lidstaat van herkomst op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel p, sub ii van Richtlijn 2011/61/EU de lidstaat waar X haar statutaire zetel en/of haar hoofdkantoor heeft. Dit is verdragsland A. 20250826 ATR 000007
11. Zoals blijkt uit de feiten is X opgericht naar het recht van verdragsland A en bestaan het doel en de activiteiten van X uitsluitend uit beleggen. X wordt derhalve voor Nederlandse fiscale maatstaven geacht te zijn gevestigd in de lidstaat van herkomst, zijnde verdragsland A.
12. Vervolgens is beoordeeld of X op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig is. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger.
13. X oefent geen activiteiten uit in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen. Derhalve wordt geconcludeerd dat X geen vaste inrichting heeft in Nederland.
Conclusie
X wordt voor toepassing van de Nederlandse belastingwet aangemerkt als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening. X is derhalve voor Nederlandse fiscale maatstaven niet transparant. X wordt voor Nederlandse fiscale maatstaven geacht gevestigd te zijn in Verdragsland A en niet in Nederland. X drijft geen onderneming in Nederland door middel van een vaste inrichting. Dit is vastgelegd in een vaststellingovereenkomst, met een looptijd van 4 maart 2025 tot en met 31 december 2029.