rul-20250819-atr-000003

Samenvatting

Aanleiding

Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de kwalificatie van een commanditaire vennootschap. Men vraagt zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een commanditaire vennootschap opgericht naar het recht van Nederland. X fungeert als een platform waar arbeid en kapitaal samen komen. De arbeid wordt geleverd door Y, de beherend vennoot. Y is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. De arbeid wordt aan Y ter beschikking gesteld door Z, een groepsvennootschap van Y. Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland A). De groep is actief in de dienstverlenende sector. Het doel van X is te investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Het personeel, dat voor rekening en risico van X werkzaamheden verricht, is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en voor het nemen van strategische beslissingen. De activiteiten worden uitgeoefend door [1 – 10] werknemers in verdragsland A. In Nederland is geen personeel werkzaam en beschikt de groep niet over eigen kantoorruimte. De keuze om gebruik te maken van een Nederlandse commanditaire vennootschap houdt mede verband met het feit dat een deel van de investeerders in Europa is gevestigd, waaronder in Nederland.

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van X naar Nederlandse fiscale maatstaven. Voor de kwalificatie van de commanditaire vennootschap is de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en het begrip fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en het Fondsenbesluit (Besluit van 27 november 2024, nr. 2024-9447) relevant. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a, van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden voor situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. Deze bepaling inzake de economische nexus is in dit geval niet van toepassing, omdat het gaat om de kwalificatie van een rechtsvorm. De kwalificatie van X is wel van belang voor de Nederlandse belastingheffing.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op grond van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is X, zijnde een commanditaire vennootschap, (in beginsel) transparant. Mogelijk kan X toch niet- transparant zijn voor Nederlandse fiscale maatstaven als zij vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening. X is vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening als zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit relevant is. Daarbij kan er slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt en zij is aan te merken als beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Ook geldt als eis dat sprake moet zijn van verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Dit betekent dat alleen sprake kan zijn van een fonds voor gemene rekening als de bewijzen van deelgerechtigdheid (ook) aan derden kunnen worden vervreemd. Ook de verkoop aan een groepsmaatschappij en de verkoop aan bloed- en aanverwanten vormen in dit verband een vervreemding aan een derde. De bewijzen van deelgerechtigdheid worden niet als verhandelbaar aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds zelf.
4. Zoals in de feiten opgemerkt, zijn de activiteiten van X niet gericht op het behalen van beleggingsvoordelen voor de deelgerechtigden omdat X activiteiten uitoefent die het beleggingscriterium overstijgen. De activiteiten van X overstijgen dit criterium vanwege de actieve betrokkenheid (beleidsmatige invloed) bij de portfoliovennootschappen.
5. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat X voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet niet vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, omdat de activiteiten die namens X worden verricht het beleggingscriterium overstijgen.
6. Dit betekent dat X op grond van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen transparant is naar Nederlandse fiscale maatstaven.

Conclusie

20250819 ATR 000003X wordt voor toepassing van de Nederlandse belastingwet aangemerkt als niet-vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening en is derhalve naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant. Dit is vastgelegd in een vaststellingovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.