rul-20250729-atr-000003

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een fonds voor gemene rekening naar Nederlandse fiscale maatstaven. Men wenst zekerheid vooraf voor de jaren 2023 tot en met 2027.

Feiten

X is vormgegeven als een fonds voor gemene rekening (het fonds), dat is aangegaan naar het recht van Nederland. Het doel van het fonds is om te investeren in een gediversifieerde portefeuille van Nederlandse hypothecaire geldleningen. Y is de beheerder van het fonds. Y is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). Verzoeker heeft besloten het verzoek om zekerheid vooraf in te trekken.

Rechtskader

In het verzoek vraagt de beheerder van het fonds om zekerheid vooraf over de kwalificatie van het fonds voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet. Voor de kwalificatie van het fonds voor het jaar 2024 is artikel 2, vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) (de wettekst zoals deze gold tot en met 31 december 2024) en het besluit van 11 januari 2007, nr. CPP2006/1870M (Besluit vennootschapsbelasting fonds voor gemene rekening, zoals gewijzigd bij het besluit 15 december 2015, nr. BLKB2015/1511M) (vervallen per 31 december 2024) relevant. Voor de kwalificatie van het fonds voor het jaar 2025 en de jaren daarna is artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb (de wettekst zoals deze geldt met ingang van 1 januari 2025), artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis van de Wet IB en het besluit van 27 november 2024, Stcrt. 2024, 38389 (Fondsenbesluit) relevant. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

20250729 ATR
0000031. Op basis van de aangeleverde feiten lijkt het verzoek op voorhand te voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen.
2. Lopende het verzoek is de Wet Vpb gewijzigd en het Fondsenbesluit in werking getreden. In dat kader is door de verzoeker besloten het vooroverleg te staken.
3. Door de intrekking is niet definitief vastgesteld of het verzoek voldoet aan de voorwaarden van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Ook is daardoor niet toegekomen aan afronding van de gehele inhoudelijke fiscale beoordeling van het verzoek.

Conclusie

Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken in het licht van de gewijzigde wetgeving. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel worden beoordeeld in het kader van het reguliere toezicht.