rul-20250722-apa-000008

Samenvatting

Aanleiding

X heeft een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2024 tot en met 2028, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2023.

Feiten

X is een in Nederland gevestigde vennootschap en hoofdkantoor van de Z-groep met [501 – 1.000] personeelsleden in Nederland. De Z-groep is een internationaal opererende groep in de dienstverlenende sector. Vanuit Nederland worden de diverse buitenlandse groepsmaatschappijen aangestuurd door X. De dochteronderneming Y, een vennootschap gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, maakt bij de uitvoering van haar werkzaamheden gebruik van rechten van X. Y maakt ook gebruik van de centrale dienstverlening van X. Dit betreft onder andere de activiteiten van de Raad van Bestuur, maar ook dienstverlening op het gebied van onder andere ICT, administratie en personeelszaken, hierna gezamenlijk “hoofdkantoordiensten”. X brengt een vergoeding in rekening bij Y voor de verleende diensten. X zoekt derde partijen, onderhandelt en gaat verschillende licentieovereenkomsten aan met derde partijen voor het verkrijgen van Europese dan wel wereldwijde rechten voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden en voor het kunnen verkopen van (promotie-) artikelen gerelateerd aan deze werkzaamheden. Voor deze rechten wordt vervolgens een sub-licentie gegeven aan de relevante dochterondernemingen, waaronder Y, die de werkzaamheden zullen uitvoeren. Deze activiteiten worden gedaan door afdeling A (“AD”) van X. Daarnaast heeft X ook een afdeling B (“BD”) die gerelateerde diensten verricht. X brengt een vergoeding in rekening bij Y voor de activiteiten van AD en BD. De gevraagde zekerheid vooraf ziet op de volgende transacties tussen X en Y: Transactie 1: X verleent hoofdkantoordiensten aan Y; Transactie 2: X verleent AD diensten aan Y; Transactie 3: X verleent BD diensten aan Y.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het 20250722 APA 000008OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022. Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transacties zijn de functies van X in Transactie 2 en 3 als waardevol en uniek te duiden. Met betrekking tot Transactie 1, kan X worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transacties. X is voor Transactie 1 aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van een arm’s- lengthvergoeding. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor Transactie 1 een CUP aanwezig is. Voor de Transacties 2 en 3 zijn CUPs aangetroffen.
4. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) voor de bepaling van de beloning voor Transactie 1 een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de relevante kosten gekozen als maatstaf omdat de relevante kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende hoofdkantoor functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door X.
5. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie met betrekking tot Transactie 1 is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X.

Conclusie

De bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over de arm’s-lengthbeloning voor Transacties 1, 2, en 3. Deze overeenstemming is vervolgens uitgewerkt en geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X. 20250722 APA 000008De bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen dat voor de beloning van X in Transactie 1 een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante kosten at arm’s-length is. Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 1,89% bedraagt en de upper quartile 22%. De bevoegde autoriteiten zijn een percentage boven de mediaan overeengekomen. Ten aanzien van Transacties 2 en 3 zijn de bevoegde autoriteiten overeengekomen dat de beloning wordt vastgesteld als een percentage van de lokale omzet van Y. Deze vergoeding is gebaseerd op een CUP en bedraagt voor zowel Transactie 2 als Transactie 3 [< 5%]. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.