20250708 APA 000012
Samenvatting
Aanleiding
X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap en hoofdkantoor van de Z-groep met [151 – 300] personeelsleden in Nederland. De Z-groep is een internationaal opererende groep in de industriële sector. De Z-groep bestaat uit diverse divisies. Iedere divisie wordt geleid door een divisiehoofdkantoor. De divisiehoofdkantoren zijn gevestigd in Nederland alsmede binnen en buiten de Europese Unie (EU). De divisiehoofdkantoren zijn onder meer verantwoordelijk voor de algemene ondernemingsstrategie, het strategisch management, marketing, innovatie, en de productontwikkeling voor de desbetreffende divisie. Ten aanzien van de innovatie en productontwikkeling werken de divisiehoofdkantoren samen met X die verantwoordelijk is voor de centrale innovatiestrategie. Binnen een aantal van de divisies kan onderscheid worden gemaakt tussen productgroepen, zijnde productgroep 1 en productgroep 2. De Z-groep bestaat daarnaast uit diverse dochtermaatschappijen (gevestigd in landen binnen en buiten de EU) die voor rekening en risico van de divisiehoofdkantoren test- en onderzoekdiensten, productiediensten en verkoopdiensten verrichten. Voorts verleent X management- en administratieve diensten ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. De gevraagde zekerheid vooraf ziet op de volgende transacties: 1. Het verlenen van management- en administratieve diensten door X ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. 2. Het verlenen van test- en onderzoekdiensten door de dochtermaatschappijen ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. 3. Productiediensten door de dochtermaatschappijen ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. 4. Verkoopdiensten door de dochtermaatschappijen ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. 5. Samenwerking op het gebied van innovatie en productontwikkeling tussen X en de divisiehoofdkantoren. 20250708 APA 000012
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022. Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De overwegingen die ten grondslag liggen aan Transactie 1 zijn als volgt: a) De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van de tested party te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van X ten aanzien van de management- en administratieve diensten in vergelijking met die van de divisiehoofdkantoren als uitvoerend te beschouwen. X kan derhalve worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is aangemerkt als tested party. b) De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de management en administratieve activiteiten van X een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de totale relevante kosten gekozen als maatstaf omdat de totale relevante kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende management en administratieve functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door X. 20250708 APA 000012c) X heeft aannemelijk gemaakt dat bepaalde ondersteunende en administratieve activiteiten van X op basis van hun aard, relatieve omvang en toegevoegde waarde niet behoren tot de primaire bedrijfsprocessen van de groep en dat deze activiteiten niet meer dan marginaal waarde toevoegen aan de primaire bedrijfsprocessen van de groep. In overeenstemming met paragraaf 6.3 van het Verrekenprijsbesluit 2022 en zoals ook beschreven in paragrafen 7.43 tot en met 7.65 van de OESO-richtlijnen is de vereenvoudigde methode voor diensten met beperkte toegevoegde waarde in casu passend bevonden. d) Ter onderbouwing van de zakelijkheid van de opslag op de overige meer hoogwaardige diensten is een benchmarkstudie aangeleverd. De bij het verzoek gevoegde benchmarkstudie is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X.
3. De overwegingen die ten grondslag liggen aan Transactie 2, 3 en 4 zijn als volgt: a) Binnen de gelieerde transacties 2, 3 en 4 zijn de functies van de dochtermaatschappijen in vergelijking met die van de divisiehoofdkantoren als uitvoerend te beschouwen. De dochtermaatschappijen kunnen derhalve worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transacties 2, 3 en 4 en zijn aangemerkt als tested party. b) Niet is gebleken dat voor de gelieerde transacties 2, 3 en 4 een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. Ten aanzien van Transactie 2 en 3 zijn de totale relevante kosten gekozen als maatstaf omdat de totale relevante kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende test- en onderzoeksactiviteiten en productieactiviteiten, gebruikte activa en gedragen risico’s door de dochtermaatschappijen. Ten aanzien van Transactie 4 is de omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende verkoopfuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door de dochtermaatschappijen. c) De bij het verzoek gevoegde benchmarkstudies voor Transactie 2, 3 en 4 zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van de dochtermaatschappijen.
4. De overwegingen die ten grondslag liggen aan Transactie 5 zijn als volgt: a) De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van de tested party te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie maken beide partijen unieke en waardevolle toevoegingen aan de transactie. Voorts zijn de innovatie- en productontwikkeling activiteiten verricht door X en de divisiehoofdkantoren dermate met elkaar verweven dat geen van de partijen betrokken bij de transactie kan worden aangemerkt als de minst complexe partij (tested party). 20250708 APA 000012b) Niet is gebleken dat voor de innovatie- en productontwikkeling activiteiten van X en de divisiehoofdkantoren een CUP aanwezig is. Vanwege de hoge mate van verwevenheid en de waardevolle en unieke bijdrage die beide partijen leveren aan de transactie is de Transactional Profit Split Method geselecteerd om de arm’s- lengthbeloning van Transactie 5 te bepalen. De Transactional Profit Split Method wordt toegepast op de restwinst die overblijft na het belonen van de ondersteunende activiteiten. De restwinst wordt verdeeld op basis van de relatieve bijdrage van beide partijen. c) De bij het verzoek gevoegde contributieanalyse is passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X en de divisiehoofdkantoren.
Conclusie
Partijen hebben ten aanzien van Transactie 1 vastgesteld dat een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale relevante kosten van X gehanteerd wordt als beloning voor de ondersteunende management- en administratieve activiteiten die X verricht ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 5,70% bedraagt en de upper quartile 11,96%. In de vaststellingsovereenkomst is de mediaan gehanteerd. Voor de diensten die op basis van onderdeel 6.3 van het Verrekenprijsbesluit 2022 kwalificeren als diensten met beperkte toegevoegde waarde is een percentage van 5,00% in aanmerking genomen. Partijen hebben ten aanzien van Transactie 2 vastgesteld dat een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale relevante kosten van de dochtermaatschappijen wordt gehanteerd als beloning voor test- en onderzoek activiteiten die de dochtermaatschappijen verrichten ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 2,94% bedraagt en de upper quartile 10,95%. In de vaststellingsovereenkomst is de mediaan gehanteerd. Partijen hebben ten aanzien van Transactie 3 vastgesteld dat een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale relevante kosten van de dochtermaatschappijen gehanteerd wordt als beloning voor de productiediensten (productgroep 1 en 2) die de dochtermaatschappijen verrichten ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 2,08% bedraagt en de upper quartile 6,26%. In de vaststellingsovereenkomst is ten aanzien van productgroep 1 de mediaan gehanteerd. Ten aanzien van de productiediensten voor productgroep 2 is de mediaan gehanteerd (met een op basis van de feiten en omstandigheden passende beperkte afwijking van het werkelijke resultaat ten opzichte van het gebudgetteerde resultaat). Partijen hebben ten aanzien van Transactie 4 vastgesteld dat een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet van de dochtermaatschappijen gehanteerd wordt als beloning voor de verkoopdiensten (productgroep 1 en 2) die de dochtermaatschappijen verrichten ten behoeve van de divisiehoofdkantoren. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 1,20% bedraagt en de upper quartile 2,93%. In de vaststellingsovereenkomst is ten aanzien van productgroep 1 de mediaan gehanteerd. Ten aanzien van de verkoopdiensten voor productgroep 2 is de mediaan gehanteerd (met een op basis van de feiten en omstandigheden passende beperkte afwijking van het werkelijke resultaat ten opzichte van het gebudgetteerde resultaat). 20250708 APA 000012Partijen hebben ten aanzien van Transactie 5 vastgesteld dat het resultaat dat resteert nadat alle routinematige activiteiten at arm’s-length zijn beloond, de vergoeding vormt voor de innovatie- en productontwikkeling activiteiten. Partijen zijn overeengekomen om de verdeling van het resultaat tussen X en de divisiehoofdkantoren te baseren op de transactional profit split methode waarbij de splitsing is gerelateerd aan de relatieve bijdrage van X en de divisiehoofdkantoren. Ten aanzien van de splitsing zal een gedeelte [10% – 30%] worden toegerekend aan X en een gedeelte [> 70%] aan de divisiehoofdkantoren. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.