rul-20250701-rulov-000006

20250701 RULOV 000006

Samenvatting

Aanleiding

X heeft verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de Wet minimumbelasting 2024 (Wmb 2024) ten aanzien van twee grensoverschrijdende acquisities. Men wenst zekerheid vooraf voor de verslagjaren 2024 tot en met 2028.

Feiten

X is opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X is de tophoudster van een internationaal opererend concern dat actief is in de dienstverlenende sector (X-groep). De X-groep verricht bedrijfseconomische operationele activiteiten in Nederland. De activiteiten worden uitgeoefend door [> 1.000] werknemers in Nederland. De X-groep heeft al een geruime tijd een jaarlijkse geconsolideerde omzet van meer dan €750 miljoen en valt onder de reikwijdte van de Wmb 2024. X is de uiteindelijkemoederentiteit voor toepassing van de Wmb 2024. X heeft een aantal jaren geleden van een externe partij alle aandelen verworven in Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een EU-lidstaat niet zijnde Nederland (Land A) en in Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een andere EU-lidstaat (Land B). De aandelen zijn geleverd na 1 december 2021. De koopovereenkomsten dateren van begin 2021 en bevatten vergaande restricties voor de periode tussen de datum van de overeenkomst en de juridische levering van de aandelen alsmede economisch terugwerkende kracht. Na 1 december 2021 zijn Y en Z ieder betrokken geweest bij een juridische fusie met een andere vennootschap van de X- groep. De acquisities van Y en Z zijn in de verslaggeving van X verwerkt in 2022 onder toepassing van Purchase Price Accounting. In landen A en B zijn met de Wmb 2024 vergelijkbare regels geïmplementeerd.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid over de toepassing van artikel 6.1 van de Wmb ten aanzien van de acquisities van Y en Z. Relevant in dit kader is het OESO-commentaar bij de Pijler 2- modelregels, specifiek de vierde paragraaf van het OESO-commentaar bij artikel 3.1.2. Ook is relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). 20250701 RULOV 000006

Overwegingen

1. De X-groep oefent bedrijfseconomische operationele activiteiten uit in Nederland (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van X binnen de groep.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen als niet-coöperatieve rechtsgebieden in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Allereerst is geverifieerd of de X-groep onder de reikwijdte van de Wmb 2024 valt. De Wmb 2024 is van toepassing in een verslagjaar als de jaarlijkse omzet volgens de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederentiteit in ten minste twee van de vier verslagjaren die direct vooraf zijn gegaan aan het betreffende verslagjaar ten minste €750 miljoen bedraagt. Er is vastgesteld dat de X-groep onder de reikwijdte van de Wmb 2024 valt sinds de inwerkingtreding van die wetgeving.
4. Y en Z zijn voor de inwerkingtreding van de Wmb 2024 overgenomen door de X-groep. Artikel 6.1 van de Wmb 2024 regelt hoe het kwalificerend inkomen of verlies van een groepsentiteit wordt bepaald. In beginsel dient in dit opzicht ten aanzien van Y en Z uitgegaan te worden van de historische boekwaarde van hun activa en passiva.
5. Uit de parlementaire behandeling van de Wmb 2024 volgt dat aangezien de Wmb 2024 de omzetting is van de EU Pijler 2-richtlijn, de OESO-modelregels en het OESO-commentaar als interpretatie en illustratiebronnen kunnen dienen gezien de considerans van de EU-Pijler 2- richtlijn. Dit is anders indien de wettekst afwijkt van de OESO-modelregels. De vierde paragraaf van het OESO-commentaar bij artikel 3.1.
2. van de OESO-modelregels kent onder voorwaarden een uitzondering voor acquisities met een acquisitiedatum van voor 1 december
2021. Derhalve is getoetst of de acquisitie van Y en de acquisitie van Z hieraan voldoen.
6. X heeft ten aanzien van zowel de acquisitie van Y als de acquisitie van Z aannemelijk gemaakt dat deze een acquisitiedatum hebben van voor 1 december
2021. Dat de aandelen juridisch later geleverd zijn en in een later jaar meegeconsolideerd, doet hier, gezien de relevante feiten en omstandigheden, niet aan af nu de feitelijke controle en het economisch belang al bij X lag. X heeft ook aannemelijk gemaakt dat zij onder andere als gevolg van de fusies van Y en Z redelijkerwijs niet meer beschikt over informatie om alsnog te voldoen aan het voorschrift van toepassing van historische boekwaarde.

Conclusie

X is niet gehouden het kwalificerend inkomen of verlies van Y en Z voor toepassing van de Wmb 2024 te bepalen op de historische boekwaarde van de activa en passiva van deze entiteiten, maar kan de boekwaarde in haar verslaglegging als uitgangspunt hanteren. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.