rul-20250624-apa-000003

20250624 APA 000003

Samenvatting

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2023 tot en met 2026.

Feiten

X is een vennootschap gevestigd in Nederland. X maakt onderdeel uit van een multinationale groep die actief is in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [501 – 1.000] werknemers. X verricht kernactiviteiten voor een bepaalde divisie van de groep. X functioneert daarbij als principaal voor regio A. Z is een gelieerde vennootschap gevestigd buiten Europa die ook kernactiviteiten verricht voor de betreffende divisie en als principaal optreedt voor regio B. Y is een gelieerde vennootschap gevestigd in de Europese Unie. X en Z hebben een productiecontract gesloten met Y. Y verricht routinematige productieactiviteiten voor X en Z. Y verricht de productieactiviteiten voor [> 60%] aan X en voor [< 40%] aan Z. Y bezit geen waardevolle activa en draagt beperkte risico’s. De belangrijkste risico’s zoals marktrisico en bezettingsrisico met betrekking tot de productieactiviteiten van Y worden gedragen door X en Z. Er is vanwege bedrijfseconomische redenen (hoge productiekosten) door X en Z besloten om de productieactiviteiten van Y te beëindigen. Het productiecontract bepaalt dat de overeenkomst direct kan worden opgezegd indien daarvoor belangrijke redenen zijn. De productiefaciliteit van Y wordt gesloten en ontmanteld. Er worden geen activa overgedragen door Y aan X of Z. De beëindiging van de productieactiviteiten van Y leidt tot bepaalde kosten en opbrengsten. Het productiecontract bepaalt dat de netto kosten die worden gemaakt door Y als gevolg van de beëindiging van het productiecontract worden gedragen door de principalen X en Z.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022. Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een 20250624 APA 000003internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. Y oefent routinematige productieactiviteiten uit ten behoeve van X en bezit geen immateriële activa. De productieactiviteiten van Y worden beëindigd. De opzegging van het productiecontract leidt derhalve niet tot de overdracht van immateriële activa of doorlopende ondernemingsactiviteiten door Y aan X. Er worden ook geen materiële activa overgedragen door Y aan X.
3. X heeft het productiecontract met Y beëindigd vanwege de hoge productiekosten. X draagt als principaal, naar rato van de afname van de productiediensten door X, het marktrisico en bezettingsrisico met betrekking tot de routinematige productieactiviteiten van Y. Derhalve dient X naar rato van de afname van de productiedienst door X, de netto kosten die samenhangen met de beëindiging van de productieactiviteiten te vergoeden aan Y.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de beëindiging van het productiecontract X geen vergoeding is verschuldigd aan Y. De netto kosten voortvloeiende uit de beëindiging van de productieactiviteiten worden door X naar rato vergoed aan Y. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026.