20250610 ATR 000002
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de deelnemingsvrijstelling, de objectvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, en de inhoudingsvrijstelling van de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2023 tot en met 2027, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2022.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend beursgenoteerd concern in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [76 – 150] werknemers. X houdt alle aandelen in Y en Y houdt op haar beurt alle aandelen in Z. Y en Z zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. Y en Z houden aandelen in verschillende vennootschappen (de relevante deelnemingen) opgericht naar het recht van en gevestigd in landen binnen en buiten de Europese Unie (EU). X, Y en Z treden op als houdstervennootschappen en zijn actief betrokken bij het aansturen van de relevante deelnemingen. De activiteiten van de relevante deelnemingen liggen in lijn met de activiteiten van het concern. Z oefent werkzaamheden uit in verschillende lidstaten van de EU. Deze werkzaamheden worden uitgeoefend vanuit kantoren aldaar. De werkzaamheden kwalificeren op basis van de van toepassing zijnde belastingverdragen als een vaste inrichting in elk van de lidstaten. De vaste inrichtingen zijn in de respectievelijke lidstaten onderworpen aan een winstbelasting. W, de directe aandeelhouder van X, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland A). V, de uiteindelijke moedermaatschappij van X, Y en Z is de tophoudster van de groep en is gevestigd in een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland B). V is beursgenoteerd in verdragsland B en drijft een materiële onderneming. Er zijn geen natuurlijke personen die (in)direct een aandelenbelang van meer dan 5% houden in X. W, V en de relevante deelnemingen (met uitzondering van één entiteit) zijn rechtsvormen die voorkomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 339). De rechtsvormen van W, V en de relevante deelnemingen (met uitzondering van één entiteit) zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het 20250610 ATR 000002buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake. Met betrekking tot de entiteit die geen rechtsvorm heeft die is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap, geldt het volgende. Deze entiteit heeft een rechtsvorm die is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm niet-vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm. Ook hier geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake. Aangezien het een niet- vergelijkbaar buitenlands lichaam betreft dat niet in Nederlands is gevestigd, wordt het buitenlandse lichaam voor Nederlandse fiscale doeleinden als niet-transparant aangemerkt indien dat buitenlandse lichaam volgens de fiscale regelgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt zelfstandig belastingplichtig is (symmetrische methode). In het geval van de desbetreffende entiteit is hier sprake van.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf betreft de toepassing van de deelnemingsvrijstelling (artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)). Er dient te worden voldaan aan de eisen van artikel 13, tweede lid, van de Wet Vpb, en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen, zoals bedoeld in artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming volgens artikel 13, elfde lid, van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst. Het verzoek om zekerheid vooraf ziet daarnaast op de bevestiging dat de objectvrijstelling als bedoeld in artikel 15e van de van de Wet Vpb van toepassing is op de diverse vaste inrichtingen van Z in de diverse lidstaten van de EU. Men verzoekt verder om te bevestigen dat W niet buitenlands belastingplichtig is als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Ten slotte wordt verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid vraagt men voor uitkeringen van X aan W. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. De groep oefent in Nederland relevante operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X, Y en Z uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van de lichamen binnen de groep.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale 20250610 ATR 000002gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op de belangen van Y en Z in de relevante deelnemingen. Y en Z houden meer dan 5% van de aandelen in de relevante deelnemingen. Als gevolg daarvan wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb. Ook met betrekking tot de deelneming die een niet- vergelijkbare rechtsvorm heeft, wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
4. Vervolgens is beoordeeld of ten aanzien van de relevante deelnemingen wordt voldaan aan de oogmerktoets, zodat er geen sprake is van een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. De relevante deelnemingen verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel. X, Y en Z leggen een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de uiteindelijke moedermaatschappij en de activiteiten van de kleindochtermaatschappijen. De relevante deelnemingen worden aldus door Y en Z niet als belegging gehouden. Daarmee wordt voldaan aan de oogmerktoets.
5. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid, van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van de belangen van Y en Z in de relevante deelnemingen.
6. De werkzaamheden van Z, die zij uitoefent in staten binnen de EU, resulteren op basis van het belastingverdrag tot een vaste inrichting aldaar. De winst die toerekenbaar is aan de buitenlandse ondernemingen in de andere staten valt onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb.
7. W houdt alle aandelen in X en kan mogelijk op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig zijn.
8. Beoordeeld is of W buitenlands belastingplichtig is naar aanleiding van haar belang in X op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige, in dit geval W, het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en de constructie of reeks van constructies niet op grond van zakelijke redenen is opgezet (“objectieve toets”). Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de aanwezigheid van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.
9. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of W het belang houdt met als hoofddoel om Nederlandse inkomstenbelasting te ontgaan. In het gegeven geval houdt uiteindelijk geen in het buitenland wonend natuurlijk persoon een direct of indirect belang van meer dan 5% in X. Dit betekent dat er geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting in het kader van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb
10. Nu is vastgesteld dat op het niveau van de aandeelhouder van X geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting hoeft niet meer stil gestaan te worden bij de objectieve toets van de antimisbruikbepaling.
11. Vervolgens is beoordeeld of de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid van de Wet DB van toepassing is op uitkeringen van X aan W. 20250610 ATR 000002
12. X wordt gehouden door W, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER). W, de opbrengstgerechtigde, houdt op het moment van uitkeren een belang in X waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.
13. Aangezien W in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.
14. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid van de Wet DB van toepassing zijn. W wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
15. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikregeling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikregeling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
16. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of W het belang houdt met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. W wordt (in)direct gehouden door V, een vennootschap die een materiële onderneming drijft en gevestigd is in een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER. De tussenliggende vennootschappen worden als gevolg van de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht omdat zij geen materiële onderneming drijven. Bij uitkeringen van X aan V zou – indien V het belang in X direct had gehouden – op grond van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling.
17. Toepassing van de objectieve toets komt niet meer aan de orde, nu er geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van Y en Z in de relevante deelnemingen. 20250610 ATR 0000022. De winst toerekenbaar aan iedere vaste inrichting valt onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb en behoort derhalve niet tot de Nederlandse grondslag. 3. W is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. 4. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan W geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027.