20250603 ATR 000012
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting, in vervolg op een eerdere afspraak tot en met 2021. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. Y1 is eveneens een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. Y1 is een van de aandeelhouders van X. X en Y1 behoren tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers. Y2, een andere directe aandeelhouder van X, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU) (land A). Y2 fungeert als tussenhoudstervennootschap. Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in land A, is een van de aandeelhouders van Y1 en fungeert eveneens als tussenhoudstervennootschap. De aandeelhouder van Z is P1, de aandeelhouders van Y2 zijn P2 en P3. P1, P2 en P3 zijn opgericht naar het recht van en gevestigd in land A. P1, P2 en P3 drijven een materiële onderneming in land A. De belangen in P2 en P3 worden (in)direct gehouden door entiteiten in een laagbelastende jurisdictie. Land A is geen laagbelastende jurisdictie. In land A zijn P1, P2 en P3 onderworpen aan een winstbelasting. P1, P2 en P3 hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie. Er zijn geen natuurlijke personen die (in)direct een aandelenbelang van ten minste 5% houden in X of Y1.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf betreft de toepassing van de inhoudingsvrijstelling zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, en verder, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor uitkeringen van X aan Y2 en voor uitkeringen van Y1 aan Z. Het verzoek heeft eveneens betrekking op de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Wet bronbelasting 2021, zoals gewijzigd bij de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd door 20250603 ATR 000012Z en Y2 voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van hun belang in Y1, respectievelijk X. Als laatste wordt verzocht om te bevestigen dat Z en Y2 niet buitenlands belastingplichtig zijn, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X en Y1 uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X en Y1 binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige of dan wel de doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X en Y1 worden gehouden door respectievelijk Y2 en Z, beide vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in een staat binnen de EU (land A). Y2 en Z, de opbrengstgerechtigden, houden op het moment van uitkeren een belang in X respectievelijk Y1, waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland zou zijn gevestigd. Artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is derhalve van toepassing.
4. Aangezien de opbrengstgerechtigden in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap worden beschouwd, is er geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid, van de Wet DB.
5. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid, van de Wet DB van toepassing zijn. Y2 respectievelijk Z worden niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervullen ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling, zoals bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
6. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikregeling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikregeling wordt beoordeeld of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als 20250603 ATR 000012hoofddoel, of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
7. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Y2 en Z het belang in X respectievelijk Y1 houden met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. Y1 wordt indirect gehouden door P1, een vennootschap gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie die een materiële onderneming drijft. De tussenliggende vennootschap (Z) wordt als gevolg van de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht omdat zij geen materiële onderneming drijft. Bij uitkeringen van Y1 aan P1 zou – indien P1 het belang in Y1 direct had gehouden – op grond van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. X wordt indirect gehouden door P2 en P3, beide een vennootschap gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie die een materiële onderneming drijft. De tussenliggende vennootschap (Y2) wordt als gevolg van de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht omdat zij geen materiële onderneming drijft. Bij uitkeringen van X aan P2 en P3 zou – indien P2 en P3 het belang in X direct hadden gehouden – op grond van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling.
8. Vervolgens is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet BB. Daartoe is eerst gekeken naar het begrippenkader van artikel 1.2 van de Wet BB. Z en Y2, beide vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in land A, houden een kwalificerend belang in Y1 respectievelijk X. Land A kwalificeert niet als laagbelastende jurisdictie.
9. Gelet op het voorgaande zijn Z en Y2 op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BB niet belastingplichtig voor voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van hun belang in Y1 respectievelijk X.
10. Daarnaast hebben Z en Y2 geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en zijn derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BB.
11. Vervolgens is beoordeeld of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet BB van toepassing is. Er is sprake van misbruik indien – kort gezegd – Z en Y2 zijn gevestigd in een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, en zij gerechtigd zijn tot de voordelen in de vorm van dividenden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”), en er sprake is van een kunstmatige (reeks van) constructie(s) of (samenstel van) transactie(s). 20250603 ATR
00001212. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Z en Y2 hun belang in Y1 respectievelijk X houden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om Nederlandse bronbelasting te ontgaan. Z wordt direct gehouden door P1, en Y2 wordt direct gehouden door P2 en P
3. P1, P2 en P3 zijn gevestigd in land A en drijven een materiële onderneming. Bij uitkeringen van Y1 aan P1 zou – indien P1 het belang in Y1 direct had gehouden – op grond van de Wet BB geen bronbelasting worden ingehouden. Hetzelfde geldt voor uitkeringen van X aan P2 en P3 (indien P2 en P3 het belang in X direct hadden gehouden). Gelet op de uitlatingen in de parlementaire geschiedenis is er in dit geval geen sprake van het ontgaan van bronbelasting en bestaat er derhalve geen belastingplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet BB. Toepassing van de objectieve toets is dan niet meer nodig.
13. Aangezien de voordeelgerechtigden Z en Y2 in land A niet als transparante vennootschappen worden beschouwd, is geen sprake van een hybride vennootschap en worden de uitzonderingen van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet BB niet van toepassing geacht.
14. Z en Y2 houden aandelen in Y1 respectievelijk X en kunnen mogelijk op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, in combinatie met artikel 17 of 17a van de Wet Vpb als buitenlands belastingplichtig worden aangemerkt. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb is sprake van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. Op basis van de feiten en omstandigheden kan bevestigd worden dat Z, noch Y2 een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland hebben.
15. Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. In dit geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van het Nederlandse ondernemingsbegrip.
16. Vervolgens is beoordeeld of Z en Y2 buitenlands belastingplichtig zijn op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb in verband met hun belang in Y1 respectievelijk X. Deze antimisbruikbepaling omvat zowel een subjectieve als een objectieve toets. Op grond van de subjectieve toets wordt beoordeeld of de belastingplichtige – in dit geval Z respectievelijk Y2 – het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan. De objectieve toets onderzoekt of de constructie of reeks van constructies niet is opgezet op grond van zakelijke redenen. Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de aanwezigheid van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.
17. Op basis van de subjectieve toets is beoordeeld of Z en Y2 het belang in Y1 respectievelijk X houden met als hoofddoel het ontgaan van Nederlandse inkomstenbelasting. In het onderhavige geval houdt uiteindelijk geen in het buitenland wonend natuurlijk persoon een direct of indirect belang van ten minste 5% in Y1 of X. Hieruit volgt dat er geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting in het kader van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb.
Conclusie
20250603 ATR 000012 Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y2 en van Y1 aan Z geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X c.q. Y1 dat aan alle gestelde voorwaarden van de inhoudingsvrijstelling is voldaan. 2. Z en Y2 zijn niet belastingplichtig voor de voordelen in de vorm van dividenden die zij ontvangen van Y1 respectievelijk X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 3. Z en Y2 zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 23 oktober 2024 tot en met 31 december 2028.