20250520 ATR 000003
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven, de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024.
Feiten
X is een commanditaire vennootschap aangegaan naar het recht van Nederland. Z fungeert als beherend vennoot van X. Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. De commanditaire vennoot van X, A, is een lichaam met een rechtsvorm die wordt beheerst door het recht van een lidstaat van de Europese Unie (EU), waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland B). De rechtsvorm van A heeft geen rechtspersoonlijkheid. A wordt, conform de geïmplementeerde Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG in verdragsland B, niet aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Tevens heeft A een rechtsvorm die niet vergelijkbaar is met een naamloze vennootschap (nv) of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv). Deelname van investeerders vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid. Uit de fondsvoorwaarden van A blijkt dat de bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden overgedragen aan derden. Y is een coöperatie opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X en Y behoren tot een Nederlands concern met een hoofdkantoor in Nederland, dat actief is in de dienstverlenende sector. De activiteiten worden uitgeoefend door [11 – 25] werknemers in Nederland. X en Y fungeren als een platform waar arbeid en het kapitaal samen komen. X en Y oefenen relevante operationele activiteiten uit in Nederland en managen de investeringen actief. De arbeid wordt geleverd door een groepsvennootschap, een vennootschap opgericht naar Nederlands recht en in Nederland gevestigd. Het doel van X en Y is om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Het personeel is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en is in dat kader verantwoordelijk voor strategische beslissingen. Y zal geen stukken uitgeven die in fiscale zin kwalificeren als schriftelijke aandeelbewijzen of daarmee vergelijkbare stukken. Daarnaast is een lidmaatschapsrecht in Y slechts overdraagbaar na voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe door alle leden van Y. Y zal de samenstelling van het ledenbestand bijhouden in een ledenregister. 20250520 ATR 000003
Rechtskader
Het verzoek ziet op de kwalificatie van de commanditaire vennootschap. Relevant hierbij is de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen. Het verzoek ziet ook op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat er geen sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, omdat Y niet kwalificeert als houdstercoöperatie zoals gedefinieerd in artikel 1, achtste lid van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Tevens ziet het verzoek op de kwalificatie van A naar Nederlandse fiscale maatstaven. Buitenlandse rechtsvormen worden gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 339). Het hiervoor aangehaalde besluit geeft uitvoering aan de (onder andere) in artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode. Voor de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) is het Fondsenbesluit (Besluit van 27 november 2024, nr. 2024-9447) relevant. Tenslotte ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat gelet op artikel 17, derde lid, onder a juncto artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb de niet in Nederland gevestigde commanditaire vennoot (A) van X beschikt over een vaste inrichting in Nederland. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. De groep oefent in Nederland relevante operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X en Y uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van de lichamen binnen de groep.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op basis van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is X, zijnde een commanditaire vennootschap, transparant. X is niet aan te merken als een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, omdat zij activiteiten verricht die het beleggingscriterium te boven gaan. X drijft namelijk een materiële onderneming.
4. Op basis van artikel 1, tweede lid van de Wet DB worden kwalificerende lidmaatschapsrechten in een houdstercoöperatie gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet DB en wordt een 20250520 ATR 000003houdstercoöperatie gelijkgesteld met die vennootschappen. Daarmee is een houdstercoöperatie in beginsel inhoudingsplichtig voor de heffing van dividendbelasting.
5. Een houdstercoöperatie is in artikel 1, achtste lid van de Wet DB gedefinieerd als een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid in het voorafgaande jaar voor 70% of meer (hoofdzakelijk) heeft bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met haar verbonden lichamen of natuurlijke personen. In eerste aanleg wordt aan de hand van het balanstotaal bekeken of aan de grens van 70% wordt voldaan. Ook andere factoren spelen een rol, zoals de soorten van activa en passiva op de balans, omzet, activiteiten waaruit de winst afkomstig is en de tijdsbesteding van werknemers. Het betreft een doorgaans-toets, waardoor er afhankelijk van de omstandigheden in het voorafgaande jaar gedurende een korte periode of gedurende een beperkt aantal korte perioden kan worden afgeweken van de grens van 70%. Een coöperatie die zich actief bezighoudt met het beheer van haar investeringen en die in verband hiermee voldoende (kwalitatieve en kwantitatieve) aanwezigheid heeft in Nederland (zoals personeel, kantoorruimte en actieve betrokkenheid bij de onderneming van de deelnemingen), kwalificeert niet als houdstercoöperatie.
6. Op grond van de balans van Y kan zij worden aangemerkt als een houdstercoöperatie. Dit betekent dat het van belang is om naar de overige factoren te kijken, waaronder de werkzaamheden van het aanwezige personeel. Zoals in de feiten omschreven oefent het aanwezige personeel van de groep in Nederland voor rekening en risico van Y werkzaamheden uit. Het personeel verricht deze werkzaamheden vanuit een kantoor in Nederland. Op grond van de beschreven feiten en omstandigheden is vastgesteld dat er voldoende kwalitatieve en kwantitatieve aanwezigheid is in Nederland. Dit betekent dat Y niet aangemerkt kan worden als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB. Er is derhalve geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.
7. Het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen en de daarbij als bijlage opgenomen rechtsvormenlijst zijn in het kader van de kwalificatie van A relevant. De rechtsvorm van A is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan wordt vermoed dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een commanditaire vennootschap. Zoals in de toelichting opgenomen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een (wezenlijke) wetswijziging in het buitenland is geen sprake.
8. Van de kwalificatie in overeenstemming met de rechtsvormenlijst wordt afgeweken indien het buitenlandse samenwerkingsverband voldoet aan de definitie van het fonds voor gemene rekening of transparant fonds zoals opgenomen in artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB.
9. Om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening dient A (materieel) te worden aangemerkt als beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Relevant daarbij is het Fondsenbesluit en de daarin opgenomen voorwaarden. Ten eerste dient de beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten in de EU-lidstaat van herkomst van de instelling conform Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG niet te worden aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Ten tweede mag A niet een rechtsvorm bezitten die vergelijkbaar is met een nv of bv. Als voldaan is aan deze twee voorwaarden, dan is deze beleggingsinstelling voor de toepassing van artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb aan te merken als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. Aangezien A in verdragsland B niet wordt aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor 20250520 ATR 000003collectieve belegging en zij daarnaast een rechtsvorm bezit die niet vergelijkbaar is met een nv of bv (maar met een Nederlandse commanditaire vennootschap) kan worden geconcludeerd dat A (materieel) kwalificeert als een beleggingsfonds in de zin van 1:1 van de Wft.
10. A is vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening als zij tevens voldoet aan de overige voorwaarden van artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit relevant is. Daarbij kan er slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. Ook geldt als eis dat sprake moet zijn van verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Dit betekent dat alleen sprake kan zijn van een fonds voor gemene rekening als de bewijzen van deelgerechtigdheid (ook) aan derden kunnen worden vervreemd. Ook de verkoop aan een groepsmaatschappij en de verkoop aan bloed- en aanverwanten vormen in dit verband een vervreemding aan een derde. De bewijzen van deelgerechtigdheid worden niet als verhandelbaar aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds zelf.
11. Zoals in de feiten opgemerkt zijn de activiteiten van A gericht op het behalen van beleggingsvoordelen voor de deelgerechtigden. Daarnaast is het op basis van de fondsovereenkomst van A voor de deelgerechtigden mogelijk om de bewijzen van deelgerechtigdheid over te dragen aan andere deelgerechtigden in het fonds.
12. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat A voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet wordt aangemerkt als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening.
13. De investeringsactiviteiten van X worden gekenmerkt door actieve betrokkenheid (beleidsmatige invloed) bij de portfoliovennootschappen en gaan normaal vermogensbeheer te boven. Deze activiteiten worden vanuit Nederland verricht. Derhalve drijft X een materiële onderneming in Nederland voor toepassing van de Nederlandse belastingwet.
14. Op grond van artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb kan een buitenlandse vennootschap aangemerkt worden als buitenlands belastingplichtige indien zij deelneemt in een in Nederland gedreven onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoot in X (A) buitenlands belastingplichtig kan zijn indien de commanditaire vennootschap een onderneming drijft naar Nederlandse fiscale maatstaven.
15. Zoals hiervoor opgemerkt drijft X een materiële onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoot van X geacht wordt in Nederland inkomen te genieten op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a in combinatie met de fictie van artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb. Om uitvoer te geven aan de Nederlandse belastingplicht van een buitenlandse commanditaire vennoot heeft de buitenlandse commanditaire vennoot bij fictie een vaste inrichting in Nederland. Alle activa en passiva van X alsmede de daarmee verband houdende resultaten worden toegerekend aan de vaste inrichting van A.
Conclusie
20250520 ATR 000003 X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant. Y kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. A wordt voor toepassing van de Nederlandse belastingwet aangemerkt als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening. A is derhalve voor Nederlandse fiscale maatstaven niet-transparant. A wordt als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.