20250513 ATR 000004
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen naar Nederlandse fiscale maatstaven. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X en Y zijn lichamen met een rechtsvorm die wordt beheerst door het recht van een lidstaat van de Europese Unie (EU), waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). X en Y hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 339) waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse maatschap of vennootschap onder firma. Het buitenlandse recht, waardoor X en Y worden beheerst, is niet (wezenlijk) gewijzigd ten opzichte van het buitenlandse recht in het kwalificatiejaar op de rechtsvormenlijst. De rechtsvormen van X en Y hebben rechtspersoonlijkheid. X en Y worden, conform de geïmplementeerde Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG in verdragsland A, niet aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Tevens hebben X en Y een rechtsvorm die niet vergelijkbaar is met een naamloze vennootschap (nv) of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv). Deelname van investeerders vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid. Uit de fondsvoorwaarden van X en Y blijkt dat de bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden overgedragen aan derden. Het doel van X en Y is om beleggers samen te brengen (poolen) om zodoende door hen ingelegd kapitaal te beleggen. X en Y investeren met het ingelegde kapitaal via B, C, D, E, F, G en H in (Nederlands) onroerend goed om dit vervolgens te verhuren aan derden. X en Y oefenen hiermee geen activiteiten uit die het beleggingscriterium ontstijgen. B, C, D, E, F, G en H zijn lichamen met een rechtsvorm die wordt beheerst door het recht van verdragsland A. Deze rechtsvorm is opgenomen op de rechtsvormenlijst behorende bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen en is vergelijkbaar met een maatschap of vennootschap onder firma. Het buitenlandse recht, waardoor B, C, D, E, F, G en H worden beheerst, is niet (wezenlijk) gewijzigd ten opzichte van het buitenlandse recht in het kwalificatiejaar op de rechtsvormenlijst. B, C, D, E, F, G en H worden niet aangemerkt als een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in de Richtlijn 2011/61/EU en Richtlijn 2009/65/EG.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van X, Y, B, C, D, E, F, G en H naar Nederlandse fiscale maatstaven. Buitenlandse rechtsvormen worden gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 20250513 ATR 000004339). Het hiervoor aangehaalde besluit geeft uitvoering aan de (onder andere) in artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode. Voor de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) is het Fondsenbesluit (Besluit van 27 november 2024, Stcrt. 2024, 38389) relevant. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. In paragraaf 3, onderdeel a, van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden voor situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. Deze bepaling inzake de economische nexus is in dit geval niet van toepassing, omdat het gaat om de kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen. De kwalificatie van X, Y, B, C, D, E, F, G en H is wel van belang voor de Nederlandse belastingheffing.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen en de daarbij als bijlage opgenomen rechtsvormenlijst zijn in het kader van de kwalificatie van de verschillende rechtsvormen relevant. De rechtsvormen van X, Y, B, C, D, E, F, G en H zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan wordt vermoed dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse maatschap of vennootschap onder firma. Zoals in de toelichting opgenomen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. In de feiten is opgemerkt dat van een wezenlijke wetswijziging geen sprake is.
4. Van de kwalificatie in overeenstemming met de rechtsvormenlijst wordt ook afgeweken indien het buitenlandse samenwerkingsverband voldoet aan de definitie van het fonds voor gemene rekening of transparant fonds zoals opgenomen in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB.
5. Om te kwalificeren als een fonds voor gemene rekening is het van belang dat het buitenlandse samenwerkingsverband (materieel) wordt aangemerkt als een beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Relevant daarbij is het Fondsenbesluit en de daarin opgenomen voorwaarden. Ten eerste dient de beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten in de EU- lidstaat van herkomst van de instelling conform Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk 20250513 ATR 000004Richtlijn 2009/65/EG niet te worden aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Ten tweede mag het buitenlandse samenwerkingsverband niet een rechtsvorm bezitten die niet vergelijkbaar is met nv of bv. Als voldaan is aan deze twee voorwaarden, dan is deze beleggingsinstelling voor de toepassing van artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb aan te merken is als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft.
6. Zoals in de feiten vermeld worden B, C, D, E, F, G en H niet aangemerkt als een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in de Richtlijn 2011/61/EU en Richtlijn 2009/65/EG en daarmee materieel niet als beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 Wft. B, C, D, E, F, G en H zijn derhalve naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant.
7. X en Y worden in verdragsland A wel aangemerkt als beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in de Richtlijn 2011/61/EU en Richtlijn 2009/65/EG. X en Y worden in verdragsland A niet aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging. Daarnaast bezitten zij een rechtsvorm die niet vergelijkbaar is met een nv of bv (maar met een Nederlandse maatschap of vennootschap onder firma). Op basis van het voorgaande kunnen X en Y (materieel) worden aangemerkt als een beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1: van de Wft.
8. X en Y zijn vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening als ze tevens voldoen aan de overige voorwaarden van artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit relevant is. Daarbij kan er slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. Ook geldt als eis dat sprake moet zijn van verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Dit betekent dat alleen sprake kan zijn van een fonds voor gemene rekening als de bewijzen van deelgerechtigdheid (ook) aan derden kunnen worden vervreemd. Ook de verkoop aan een groepsmaatschappij en de verkoop aan bloed- en aanverwanten vormen in dit verband een vervreemding aan een derde. De bewijzen deelgerechtigdheid worden niet als verhandelbaar aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds zelf.
9. Zoals in de feiten opgemerkt zijn de activiteiten van X en Y gericht op het behalen van beleggingsvoordelen voor de deelgerechtigden. Daarnaast is het op basis van de fondsovereenkomsten van X en Y voor de deelgerechtigden mogelijk om de bewijzen van deelgerechtigdheid over te dragen aan andere deelgerechtigden in de respectievelijke fondsen.
10. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat X en Y voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet worden aangemerkt als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb.
Conclusie
B, C, D, E, F, G en H worden voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet aangemerkt als transparant. X en Y worden voor toepassing van de Nederlandse belastingwet aangemerkt als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb. X en Y zijn derhalve voor Nederlandse fiscale maatstaven niet transparant. 20250513 ATR 000004 Dit is vastgelegd in een vaststellingovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.