20250513 APA 000010
Samenvatting
Aanleiding
X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2024 tot en met 2028, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2023.
Feiten
X is een vennootschap gevestigd in de Europese Unie en maakt onderdeel uit van een multinationaal concern. X heeft een vaste inrichting in Nederland. Het concern houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en distributie van producten. In Nederland worden door de vaste inrichting en door de overige tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [501 – 1.000] werknemers. Het hoofdhuis van X functioneert als een regionaal hoofdkantoor. Het hoofdhuis van X houdt zich onder andere bezig met managementactiviteiten, productieaansturing, productontwikkeling, marketing en distributieactiviteiten. Het hoofdhuis van X verkoopt producten via gelieerde verkoopmaatschappijen aan klanten in een bepaald territoriaal gebied. Het hoofdhuis van X is eigenaar van immateriële activa gerelateerd aan de producten. Het hoofdhuis van X draagt de belangrijkste ondernemersrisico’s met betrekking tot de verkopen van producten in het territoriaal gebied. De vaste inrichting houdt zich bezig met het uitvoeren van regionale commerciële activiteiten en dienstverleningsactiviteiten. De vaste inrichting draagt bij aan de verkoopactiviteiten verricht door de gelieerde verkoopmaatschappijen. De commerciële activiteiten van de vaste inrichting bestaan uit het verrichten van marketingactiviteiten, bepalen van productprijzen en verlenen van kortingen binnen het groepsbeleid, monitoren van verkoopactiviteiten en het monitoren van de gelieerde verkoopmaatschappijen. De dienstverleningsactiviteiten van de vaste inrichting omvatten managementdiensten, operationele ondersteuningsactiviteiten, financiële- en juridische zaken en personeelszaken. De vaste inrichting heeft geen waardevolle activa en draagt beperkte risico’s. De gevraagde zekerheid vooraf ziet op de beloning voor de commerciële activiteiten en dienstverleningsactiviteiten die de vaste inrichting verricht voor het hoofdhuis van X.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke winstallocatie aan de vaste inrichting van X. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022. 20250513 APA 000010 Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). De winstallocatie aan vaste inrichtingen vindt plaats in lijn met artikel 7 van het OESO- modelverdrag. In juli 2008 is het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’ (PE-Report) gepubliceerd, dat in 2010 is aangepast aan een eveneens in 2010 gepubliceerd nieuw artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In dit rapport wordt beschreven hoe winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te worden onder toepassing van artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022, geeft de Staatssecretaris inzicht in zijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen en wordt bevestigd dat het Nederlandse beleid aansluit bij de conclusies van het PE- Report.
Overwegingen
1. De vaste inrichting van X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van de vaste inrichting van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van de vaste inrichting binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling (en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. Het uitgangspunt bij de winstallocatie in het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 is de Authorised OECD Approach (AOA). Deze benadering houdt in dat aan een vaste inrichting de winst toegerekend dient te worden die door de vaste inrichting zou zijn behaald indien zij een afzonderlijk ongelieerd lichaam zou zijn geweest met vergelijkbare functies, risico’s en activa, handelend onder dezelfde of overeenkomstige omstandigheden. Er is geconstateerd dat de activa en risico’s alsmede het vermogen zijn gealloceerd aan de vaste inrichting in lijn met de uitkomst van de functionele analyse.
3. De OESO-richtlijnen schrijven voor dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de fictieve transacties zijn de functies van de vaste inrichting in vergelijking met die van het hoofdhuis als uitvoerend te beschouwen. De vaste inrichting kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de fictieve transacties en is derhalve aangemerkt als tested party.
4. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de commerciële activiteiten en dienstverleningsactiviteiten van de vaste inrichting van X een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges 20250513 APA 000010(Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. Ten aanzien van de commerciële activiteiten is de omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende commerciële functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door de vaste inrichting van X. Ten aanzien van de dienstverleningsactiviteiten zijn de relevante operationele kosten gekozen als maatstaf omdat de operationele kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende dienstverleningsactiviteiten, gebruikte activa en gedragen risico’s door de vaste inrichting van X.
5. De bij het verzoek gevoegde benchmark studies voor de commerciële activiteiten en dienstverleningsactiviteiten zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van de vaste inrichting van X.
Conclusie
Partijen hebben vastgesteld dat voor de commerciële activiteiten van de vaste inrichting van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet at arm’s-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,19% bedraagt en de upper quartile 2,29%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage beneden de mediaan in de vaststellingsovereenkomst gehanteerd. Partijen hebben vastgesteld dat voor de dienstverleningsactiviteiten van de vaste inrichting van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de operationele kosten at arm’s- length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 6,39% bedraagt en de upper quartile 28,27%. In de vaststellingsovereenkomst is de mediaan gehanteerd. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.