20250422 ATR 000004
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor het jaar 2025.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land A). X maakt deel uit van een internationaal opererend concern met een hoofdkantoor in land A. X is onderworpen aan een winstbelasting in land A. X is actief in de industriële sector en verricht in Nederland installatiewerkzaamheden (uitvoering van werkzaamheden) voor een derde partij (partij Y). Deze werkzaamheden vinden plaats op het terrein van partij Y en hebben een totale duur van minder dan twaalf maanden. De werkzaamheden vangen aan in de eerste helft van het jaar 2025 en zijn voor het einde van 2025 afgerond. De werkzaamheden worden uitgevoerd door eigen personeel van X en ingeschakelde onderaannemers. X oefent, buiten de installatiewerkzaamheden, geen activiteiten in Nederland uit. Daarnaast is er in Nederland geen persoon die – formeel of feitelijk – bevoegd is om namens X overeenkomsten te sluiten en deze bevoegdheid gewoonlijk uitoefent.
Rechtskader
Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorgaande in onderlinge samenhang bezien met het belastingverdrag tussen Nederland en land A en het multilateraal verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (MLI) dat van toepassing is op het onderhavige belastingverdrag. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
20250422 ATR
0000041. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of X op basis van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, in combinatie met artikel 17 of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig is. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger.
4. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ of ‘vaste vertegenwoordiger’ verstaan het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten is X gevestigd in een lidstaat van de EU waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag geheven kan worden.
5. Volgens de relevante bepalingen van het belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Indien deze activiteiten uitsluitend van ondersteunende aard zijn, is er geen sprake van een vaste inrichting. Daarnaast vormt een plaats van uitvoering van een bouwwerk of het uitvoeren van constructie- of installatiewerkzaamheden alleen een vaste inrichting indien de betreffende werkzaamheden langer dan twaalf maanden duren.
6. Aangezien de installatiewerkzaamheden die X in Nederland uitvoert korter dan twaalf maanden duren, is er geen sprake van een vaste inrichting in Nederland. Dit is anders als de installatiewerkzaamheden die X in Nederland uitvoert langer duren dan twaalf maanden.
7. In Nederland is geen persoon aanwezig die namens X bevoegd is overeenkomsten te sluiten en dit gewoonlijk doet. Daarom is er ook geen sprake van een vaste vertegenwoordiger van X in Nederland. 20250422 ATR 000004
Conclusie
Gelet op artikel 3, vierde lid van de Wet Vpb en de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en land A, oefent X haar onderneming voor de toepassing van de Wet Vpb niet uit met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.