20250318 ATR 000009
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2022 tot en met 2026.
Feiten
X is een vennootschap omgezet naar Nederlands recht en feitelijk in Nederland gevestigd. X heeft een dochtervennootschap, opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU). Deze dochtervennootschap houdt op haar beurt weer een belang in Y. Y is een vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X oefent zelf, maar ook via Y, bedrijfseconomische operationele activiteiten uit in Nederland. Zij zijn actief in de dienstverlenende sector. De activiteiten van X en Y worden uitgeoefend door [1 – 10] personeelsleden in Nederland. Y houdt diverse vennootschappen wereldwijd welke veelal vastgoed bezitten. De aandelen van X zijn in handen van meerdere aandeelhouders. Vier van deze aandeelhouders zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland A). De aandelen in deze vier aandeelhouders worden direct gehouden door W en uiteindelijk door Z. W en Z zijn vennootschappen die eveneens opgericht zijn naar het recht van en gevestigd in verdragsland A. W drijft een materiële onderneming.
Rechtskader
Het verzoek tot zekerheid vooraf ziet op de toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid vraagt men voor uitkeringen van X aan de vier aandeelhouders. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
20250318 ATR
0000091. De groep oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten onder andere voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet DB van toepassing is op uitkeringen van X aan de vier aandeelhouders. X wordt onder andere gehouden door de vier aandeelhouders, allen vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in verdragsland A en aldaar onderworpen aan belastingheffing. Deze vier aandeelhouders, de opbrengstgerechtigden, houden op het moment van uitkeren een belang in X waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigden in Nederland waren gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.
4. Aangezien de opbrengstgerechtigden in verdragsland A niet als transparante vennootschappen worden gezien, is geen sprake van een hybride vennootschappen en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.
5. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid van de Wet DB van toepassing zijn. De vier aandeelhouders worden niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervullen ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
6. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikregeling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de subjectieve toets wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
7. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of de vier aandeelhouders hun belang houden met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. De vier aandeelhouders worden direct gehouden door W, een vennootschap gevestigd in verdragsland A die een materiële onderneming drijft. Bij uitkeringen van X aan W zou – indien W het belang in X direct had gehouden – op grond van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling.
8. Toepassing van de objectieve toets komt niet meer aan de orde, nu er geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting.
Conclusie
Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan de vier aandeelhouders geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 20250318 ATR 000009 Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 6 september 2022 tot en met 31 december 2026.