-
1970648
In dit memo van de Belastingdienst wordt ingegaan op de invorderingsrente bij geruisloze omzetting van ondernemingen volgens artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het memo bevestigt dat invorderingsrente in rekening wordt gebracht na beëindiging van uitstel van betaling, zoals geregeld in de Invorderingswet 1990. Gedurende uitstel wordt geen invorderingsrente in rekening gebracht en vindt er geen verrekening plaats. Bij geruisloze omzetting kan de belastingplichtige een verzoek indienen voor uitstel van betaling voor het geconserveerde bedrag, mits voldoende zekerheid wordt gesteld, behalve voor belastingplichtigen woonachtig in de EU. Bij vervreemding van aandelen of verplaatsing van de feitelijke leiding eindigt het uitstel en wordt de belastingaanslag invorderbaar. De memo benadrukt dat de belastingclaim in globale zin gehandhaafd blijft, ook bij buitenlandse belastingplichtigen, en dat de invorderingsrente wordt berekend vanaf zes weken na de beëindiging van het uitstel.
-
1970649
In dit memo van de Belastingdienst wordt het concept van de 'spiegelaanslag' (spiegel VA) toegelicht, die dient ter correctie van ten onrechte opgelegde negatieve voorlopige aanslagen. Het achterwege blijven van een definitieve aanslag kan leiden tot de vernietigbaarheid van de spiegel VA, tenzij er nog een vermoeden van belastingplicht bestaat. Bij het constateren van niet-bestaande belastingplicht kan geen spiegel VA of definitieve aanslag worden opgelegd; in dat geval moet een voor bezwaar vatbare beschikking worden genomen. De inspecteur mag een definitieve aanslag opleggen ter herstel van te hoge uitbetalingen van heffingskortingen, mits de negatieve voorlopige aanslag vóór of in het belastingjaar is vastgesteld. Een definitieve aanslag kan niet achterwege blijven als de spiegel VA na afloop van het belastingjaar is opgelegd, omdat deze dan niet onder de relevante wetgeving valt.
-
1970650
Een verhuurder die gebruik heeft gemaakt van de AFCENT-regeling, waarbij onder bepaalde voorwaarden omzetbelasting kan worden opgeschort en voorbelasting kan worden afgetrokken, heeft woningen verkocht zonder schriftelijke instemming met deze voorwaarden. De inspecteur kan in dit geval geen naheffing van de integratieheffing of terugontvangen omzetbelasting opleggen, omdat de vereiste schriftelijke instemming ontbreekt. De belastingschuld is niet ontstaan bij de verkoop, maar blijft gebonden aan het oorspronkelijke moment van ingebruikneming, wat de naheffingstermijn van vijf jaar bepaalt. Na deze termijn is naheffing niet mogelijk.
-
2080899
Een verzoek om teruggaaf van belasting op grond van de Wet BPM, ingediend na de termijn van dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling van een motorrijtuig, dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De inspecteur behandelt het verzoek vervolgens als een verzoek om ambtshalve teruggaaf, waarbij hij de teruggaaf verleent voor het bedrag waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking komt. Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit BPM stelt specifieke voorwaarden voor teruggaaf, waaronder de termijn van dertien weken, die als een fatale termijn wordt beschouwd. De Hoge Raad heeft bevestigd dat niet-naleving van deze termijn leidt tot verval van het recht op teruggaaf.
-
2080900
Op 2 december 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat gemeenten en provincies recht hebben op BTW-compensatie in gevallen die eerder werden afgewezen. Volgens artikel 9, lid 4 van de Wet op het BTW-compensatiefonds kunnen deze overheden binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar een aanvullend verzoek indienen voor compensatie, zelfs bij nieuwe jurisprudentie. Dit verzoek betreft geen ambtshalve herziening, maar een aanvraag voor een beschikking. De inspecteur stelt de hoogte van de bijdrage vast en eventuele verschillen worden verrekend of teruggevorderd. De Algemene wet inzake rijksbelastingen en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht zijn niet van toepassing op de Wet BCF, waardoor de specifieke bepalingen van de Wet BCF leidend zijn.
-
2080901
Voor de verrekening van een restant persoonsgebonden aftrek (PGA) is een beschikking, zoals bedoeld in artikel 6.2a van de Wet IB 2001, een constitutieve voorwaarde. Dit volgt uit de gelijkenis met de regelgeving omtrent ondernemingsverliezen en wordt ondersteund door de wetsgeschiedenis en jurisprudentie. De wetgever heeft beoogd dat de hoogte van een restant PGA in latere jaren niet ter discussie kan worden gesteld, wat de noodzaak van een formele vaststellingsbeschikking onderstreept. Jurisprudentie wijst op de vereiste van een beschikking voor rechtsbescherming, waarbij eerdere uitspraken bevestigen dat een dergelijke beschikking essentieel is voor de verrekening van een restant PGA.
-
2080902
In een casus waarin een voorlopige aanslag inkomstenbelasting is opgelegd en later door de rechter is vernietigd vanwege schending van het verdedigingsbeginsel, is navordering mogelijk op basis van artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dit artikel staat navordering toe wanneer te weinig belasting is geheven door een onjuiste verrekening van een voorlopige aanslag. De vernietiging van de voorlopige aanslag leidt tot een situatie waarin de inkomstenbelasting ten onrechte is verrekend. Hoewel de wet navordering lijkt toe te staan, kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich in specifieke gevallen tegen navordering verzetten. De Hoge Raad heeft hierover nog geen definitief oordeel gegeven.
-
2080903
In een casus over schenkingen van € 1.000.000, waarbij een beroep wordt gedaan op de verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning van € 100.000, geldt op basis van artikel 33a, derde lid, van de Successiewet 1956 een verlengde aanslagtermijn van vijf jaar. Dit geldt niet alleen voor het vrijgestelde bedrag, maar ook voor het resterende bedrag van € 900.000, waarvoor de vrijstelling niet van toepassing is. De inspecteur kan een voorlopige aanslag opleggen voor dit bedrag en de definitieve aanslag pas na afloop van de termijn voor het vervullen van de voorwaarden voor de vrijstelling. De verlengde aanslagtermijn is van toepassing op het totaalbedrag van de schenkingen, zoals blijkt uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis.
-
2080904
Een verzoek om voorlopige verliesverrekening op grond van artikel 3.152, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit verzoek leidt tot een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur en is daarmee een zelfstandig besluit, los van andere besluiten zoals de definitieve verliesverrekening of aanslag. Het verzoek om voorlopige verliesverrekening kan niet bij de aangifte worden gedaan en valt niet onder de uitzondering van artikel 8, tweede lid, AWR, die belastingaangiften uitsluit van het aanvraagbegrip. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft eerder bevestigd dat dit verzoek als een aanvraag moet worden aangemerkt.
-
2081636
In artikel 67d, eerste lid, AWR wordt gesteld dat een belastingplichtige een vergrijp kan begaan door opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte te doen, waarvoor de inspecteur een boete kan opleggen. Indien een tweede elektronische aangifte binnen de aangiftetermijn wordt ingediend, geldt deze als de formele aangifte. Een vergrijpboete kan worden opgelegd als deze tweede aangifte opzettelijk onjuist is ingevuld. Er is geen wettelijke definitie van een onjuiste of onvolledige aangifte, maar het opzettelijk doen van een onjuiste aanvulling of herziene aangifte valt onder de reikwijdte van artikel 67d AWR. De belastingplichtige kan zijn aangifte wijzigen zolang de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat. De laatst ingediende aangifte wordt als dé aangifte beschouwd, en als deze opzettelijk onjuist is, kan een vergrijpboete worden opgelegd.
-
2081637
In de casus is een primitieve aanslag inkomstenbelasting voor 2008 vastgesteld, gevolgd door een informatiebeschikking in 2013 wegens het niet verstrekken van gevraagde informatie. In 2016 is een carry-backbeschikking afgegeven, waarbij een verlies uit 2011 wordt verrekend met het inkomen van 2008. De vragen zijn of de informatiebeschikking vervalt door deze carry-backbeschikking en of dit invloed heeft op de verlenging van de navorderingstermijn. Het antwoord op de eerste vraag is dat de informatiebeschikking niet van rechtswege vervalt, omdat er geen connexiteit is tussen de carry-backbeschikking en de informatiebeschikking. De carry-back betreft een verliesverrekening en niet de vaststelling van de belastingschuld van 2008. Voor de tweede vraag geldt dat het vervallen van de informatiebeschikking geen terugwerkende kracht heeft, waardoor de verlenging van de navorderingstermijn blijft bestaan.
-
2081638
De Belastingdienst heeft vastgesteld dat belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen met meerdere subnummers voor omzetbelasting en loonheffing, bij het niet tijdig indienen van aangiften of het niet tijdig betalen van belasting, te maken kunnen krijgen met verzuimboeten. Juridisch gezien is er sprake van één belastingplichtige, waardoor slechts één verzuimboete tot het wettelijk maximum kan worden opgelegd, ongeacht het aantal subnummers. Dit geldt ook voor fiscale eenheden omzetbelasting, waar afzonderlijke aangiften mogelijk zijn, maar de fiscale eenheid als geheel de belastingplichtige is. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat het totaalbedrag van de opgelegde verzuimboeten niet hoger is dan éénmaal het wettelijk maximum, zoals vastgelegd in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Bij bezwaar tegen verzuimboeten moet rekening worden gehouden met de ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval.
-
2081639
De beslissing van de inspecteur om geen btw-nummer toe te kennen of een reeds afgegeven btw-nummer in te trekken, kan niet worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Beroep tegen deze beslissingen dient te worden ingesteld bij de civiele rechter, aangezien deze beslissingen niet onder artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vallen. De wettelijke basis voor het afgeven en intrekken van btw-nummers is niet expliciet geregeld in de Nederlandse wetgeving, maar valt onder de bepalingen van de Btw-richtlijn. Zowel het weigeren als het intrekken van een btw-nummer wordt beschouwd als een "ingevolge de belastingwet genomen besluit", maar is niet onderworpen aan bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. De belastingrechter kan wel kennisnemen van beroepen tegen uitspraken van de inspecteur over dergelijke beslissingen.
-
2081640
Belastingplichtige heeft uitstel aangevraagd voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012, wat is gehonoreerd met een verlenging van 13 maanden. Na de indiening van de aangifte is de definitieve aanslag vastgesteld. Belastingplichtige stelt dat de aanslag te laat is opgelegd, omdat het verleende uitstel alleen zou gelden voor het P-biljet en niet voor het O-biljet. De Belastingdienst concludeert echter dat het eerder verleende uitstel ook geldt na de biljetwissel, ongeacht het type biljet. De mededeling bij het O-biljet dat een nieuw uitstelverzoek nodig is, doet hieraan niet af, aangezien het uitstel al was verleend. De aanslag is daarom tijdig opgelegd, en belastingplichtige kan geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel, omdat er geen schade is aangetoond die voortvloeit uit de onjuiste mededeling.
-
2081641
De memo van de Belastingdienst biedt richtlijnen voor het dictum bij uitspraken op bezwaar tegen informatiebeschikkingen, waarbij de inspecteur een beschikking afgeeft wegens niet-naleving van informatieverplichtingen. In vier situaties wordt aangegeven hoe het bezwaar kan worden beoordeeld: 1a. Bij volledige informatieverstrekking kan het bezwaar (on)gegrond worden verklaard, en de informatiebeschikking kan worden gehandhaafd of vernietigd, met mededeling dat de sanctie van omkering van de bewijslast niet van toepassing is. 1b. Bij gedeeltelijke informatieverstrekking geldt hetzelfde, met specificatie van welke informatie ontbreekt. 1c. Indien geen bezwaar wordt gemaakt maar wel alle informatie wordt verstrekt, wordt ook hier medegedeeld dat de sanctie niet van toepassing is. 1d. Bij geen bezwaar en het opleggen van een aanslag vóór de onherroepelijkheid van de informatiebeschikking, vervalt deze automatisch, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is. De memo benadrukt dat de inspecteur discretionaire bevoegdheid heeft om te beoordelen of de informatiebeschikking moet worden herzien, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Jurisprudentie bevestigt dat het alsnog verstrekken van informatie in de bezwaarfase niet leidt tot verval van de informatiebeschikking, maar kan wel invloed hebben op de toepassing van de omkering van de bewijslast.
-
2081642
In dit memo wordt de toepassing van artikel 50 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) besproken, dat bepaalt dat gebruikers van gebouwen en grond verplicht zijn toegang te verlenen aan de inspecteur voor belastingonderzoek. Voor woningen gelden echter strengere regels volgens de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). De inspecteur kan alleen met toestemming van de bewoner binnentreden, tenzij hij een machtiging heeft op basis van de Awbi. De definitie van een woning is breed en omvat ruimtes voor exclusief verblijf. Bij het binnentreden van woningen moet de inspecteur voldoen aan specifieke voorwaarden, en het niet naleven van artikel 50 AWR kan leiden tot een bestuurlijke boete. De memo benadrukt het belang van privacy en de noodzaak van geïnformeerde toestemming van de bewoner.
-
2081643
De informatiebeschikking wordt onherroepelijk op het moment dat de bezwaartermijn ongebruikt is verstreken, niet pas zes weken na de uitspraak op bezwaar. Dit volgt uit artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarin is bepaald dat de termijn voor het opleggen van een belastingaanslag wordt verlengd tot het moment waarop de informatiebeschikking onherroepelijk vaststaat. Indien geen tijdig bezwaar is ingediend, wordt de beschikking rechtens onaantastbaar. Dit is bevestigd in jurisprudentie, waarin is gesteld dat het uitblijven van een tijdig bezwaarschrift leidt tot de formele rechtskracht van de beschikking.
-
2081644
Volgens de Kennisgroep Formeel Recht van de Belastingdienst dienen positieve en negatieve correcties niet te worden gesaldeerd bij de berekening van de grondslag voor een boete bij navordering. De grondslag voor de boete wordt bepaald door het bedrag van de navorderingsaanslag, waarbij negatieve correcties buiten beschouwing blijven. Dit is in lijn met artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de parlementaire geschiedenis. De rechtspraak ondersteunt deze interpretatie, waarbij de boete alleen kan worden gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan opzet of grove schuld. Bij individuele straftoemeting moet de inspecteur rekening houden met omstandigheden die de hoogte van de boete kunnen beïnvloeden.
-
2081645
Een belastingplichtige heeft een fout gemaakt in de aangifte vennootschapsbelasting 2014, wat leidde tot een voorlopige aanslag. Na indiening van een herziene aangifte, die resulteert in een te betalen bedrag, zijn er vier vragen over de belastingrenteregeling. De antwoorden zijn als volgt: 1) De herziene aangifte wordt niet aangemerkt als “ingediende aangifte”. 2) De herziene aangifte kan wel als verzoek om herziening van de voorlopige aanslag worden beschouwd. 3) De inspecteur mag de voorlopige aanslag herzien of direct een definitieve aanslag opleggen, maar moet ervoor zorgen dat de belastingrente niet hoger is dan bij herziening. 4) De periode voor het in rekening brengen van belastingrente eindigt uiterlijk 14 weken na ontvangst van de herziene aangifte, ongeacht of de voorlopige aanslag wordt herzien of de definitieve aanslag wordt opgelegd.
-
2081646
Bij het opleggen van een aanslag waarvan het bedrag, na verrekening van de voorlopige aanslag, nihil is, ontbreekt de grondslag voor het opleggen van een vergrijpboete volgens artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen en voorlopige aanslagen. Indien dit bedrag nihil is, kan er geen vergrijpboete worden opgelegd. Dit is in lijn met de bepalingen in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) en eerdere rechtspraak.
-
2084364
Belastingplichtige heeft verzocht om ambtshalve vermindering van aanslagen IB/PVV 2013 en 2014, omdat in 2013 geen premie voor een lijfrente is afgetrokken en in 2014 slechts gedeeltelijk. De Belastingdienst concludeert dat er sprake is van een onjuiste aanslag, omdat het niet eerder indienen van een verzoek om aftrek niet uitsluit dat de aanslag onjuist is. De uitzondering in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing, omdat er geen wettelijke termijn is voor het indienen van het verzoek om aftrek van de premie lijfrente en de afname van de oudedagsreserve.
-
2098782
De Belastingdienst heeft in een memo vastgesteld dat een loonheffingennummer (LH-nummer) kan worden ingetrokken in drie situaties: bij stelselmatig indienen van nihilaangiften, bij het niet indienen van aangiften, en bij vermoedens van fraude. De intrekking gebeurt impliciet door het niet langer uitreiken van aangiften, wat voortvloeit uit het beëindigen van de inhoudingsplicht. De inhoudingsplicht eindigt wanneer niet langer wordt voldaan aan de vereisten van de Wet op de loonbelasting 1964. De inspecteur is verplicht om iemand die daarom verzoekt uit te nodigen tot het doen van aangifte.
-
2098783
Op 25 november 2016 heeft de Hoge Raad arresten gewezen over ANBI's, waarbij twee interpretaties mogelijk zijn: de eerste variant stelt dat de 'quid pro quo'-toets is verlaten, terwijl de tweede variant deze toets accepteert maar het begrip commercieel tarief anders definieert. De Hoge Raad oordeelt dat de beoordeling of een instelling commerciële tarieven hanteert, afhankelijk is van het oogmerk om exploitatieoverschotten te behalen, en niet van de daadwerkelijke resultaten of vergelijkingen met andere instellingen. Dit bevestigt de parlementaire geschiedenis en wijkt af van eerdere uitspraken die vanuit het perspectief van de afnemer keken. De politieke wenselijkheid van deze interpretatie is aan de wetgever.
-
2115363
Op 14 november 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een verzoek om kostenvergoeding op basis van artikel 7:15 Awb geen zelfstandige aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb. De beslissing op een verzoek om kostenvergoeding maakt deel uit van de uitspraak op bezwaar. Indien een bestuursorgaan niet gelijktijdig beslist op het verzoek om kostenvergoeding, kan deze beslissing later alsnog worden genomen en kan daartegen afzonderlijk beroep worden ingesteld. Dit bevestigt dat de beslissing over de kostenvergoeding onderdeel is van de beslissing op bezwaar, en dat een verzoek om kostenvergoeding dus niet als een zelfstandige aanvraag wordt beschouwd.
-
2130143
Artikel 67q van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is niet uitsluitend van toepassing op aangiftebelastingen. De wetgever heeft in artikel 67q, vijfde lid, aangegeven dat deze bepaling ook in andere situaties kan worden toegepast. Jurisprudentie toont aan dat zowel verzuimboetes als vergrijpboetes voor dezelfde feiten kunnen worden opgelegd, waarbij het ne bis in idem-beginsel in belastingzaken kan leiden tot een handhavingstekort. Dit betekent dat er situaties kunnen zijn waarin een vergrijpboete kan worden opgelegd, zelfs als er al een verzuimboete is opgelegd voor hetzelfde feit.
-
2130144
De notaris valt onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), wat betekent dat hij zijn cliënten niet mag informeren over de informatie die hij op verzoek van de inspecteur verstrekt. De inspecteur schendt deze geheimhoudingsplicht niet wanneer hij concrete informatie over belastingplichtigen aan de notaris verstrekt, mits dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet. De verplichting tot geheimhouding van de notaris is vastgelegd in artikel 22 van de Wet op het notarisambt (Wna), maar de reikwijdte van deze wet valt buiten het uitvoeringsgebied van de Belastingdienst.
-
2130145
Bij de import van een gebruikte auto kan de belastingplichtige de grondslag voor de heffing op basis van de Wet BPM bepalen door een taxatierapport over te leggen. Dit rapport hoeft niet per se een 'natte' handtekening te bevatten; een gescande handtekening is ook mogelijk. De wet vereist dat het taxatierapport voldoet aan bepaalde voorwaarden, maar expliciet een natte handtekening eisen is onjuist. De handtekening dient vooral ter identificatie van de taxateur, maar biedt geen volledige garantie dat deze daadwerkelijk is gezet. Digitalisering maakt het gebruik van elektronische handtekeningen steeds gebruikelijker, hoewel een gescande handtekening momenteel niet aan de wettelijke eisen voldoet.
-
2130146
Bij navordering kan een vergrijpboete worden opgelegd, zelfs als er geen aangifte is gedaan en de primitieve aanslag ambtshalve is vastgesteld. Dit is mogelijk indien de (voorwaardelijke) opzet of grove schuld van de belastingplichtige heeft geleid tot een te lage aanslag. Het toetsmoment voor deze beoordeling ligt op het moment waarop de aangifte ingediend had moeten worden, maar bewijs kan ook voortkomen uit omstandigheden na dat moment. De delictsomschrijving van artikel 67e AWR blijft van toepassing, ongeacht het ontbreken van een aangifte.
-
2130147
De leesbaarheidseis van facturen, zoals vastgelegd in artikel 35b van de Wet op de omzetbelasting, vereist dat facturen, zowel op papier als elektronisch, gedurende de bewaartermijn "human readable" zijn. Dit houdt in dat elektronische facturen, zoals EDI of XML, niet alleen machine-to-machine uitwisselingen mogen zijn, maar ook toegankelijk moeten zijn voor menselijke controle. De ondernemer is verantwoordelijk voor het waarborgen van de authenticiteit, integriteit en leesbaarheid van de factuur. Dit omvat niet alleen de verplichte factuurelementen, maar ook aanvullende informatie zoals ordergegevens. De eisen van artikel 35b zijn een concretisering van de administratieplicht uit artikel 52 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, en zijn bedoeld om de controleerbaarheid van de facturen voor de Belastingdienst te waarborgen.
-
2130148
Een overeenkomst voor een periodieke gift kan digitaal worden ondertekend, mits de digitale akte en ondertekening niet gewijzigd kunnen worden. Volgens artikel 6.38 Wet IB 2001 moeten periodieke giften berusten op een notariéle of onderhandse akte, maar er zijn geen specifieke eisen gesteld aan de ondertekening van de onderhandse akte. De wet biedt ruimte voor digitale ondertekening, mits de authenticiteit gewaarborgd is. De Belastingdienst heeft geen directe verplichting om de akte te ontvangen, maar belastingplichtigen moeten deze op verzoek kunnen overleggen. Digitale bewijsstukken zijn toegestaan, zolang de authenticiteit kan worden aangetoond.
-
2130149
Een verzuimboete kan worden opgelegd voor het niet (tijdig) doen van aangifte, ook als er geen belastingaanslag wordt vastgesteld op grond van artikel 9.4 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Dit is mogelijk zolang de boete uiterlijk bij de beschikking "geen aanslag" wordt opgelegd. De wetgever heeft de gelijktijdigheidseis ingesteld om rechtszekerheid voor de belastingplichtige te waarborgen. De kennisgroep stelt dat de normschending bij het niet tijdig doen van aangifte relatief gering is, vooral als het gaat om een verschuldigde belasting van minder dan € 45.
-
2130150
In het kader van de fiscale eenheid omzetbelasting kan de inspecteur op verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking afgeven, waarbij natuurlijke personen of lichamen als één ondernemer worden aangemerkt. De afwijzing van een verzoek om een fiscale eenheid is in principe niet voor bezwaar vatbaar volgens de letterlijke tekst van de Wet Omzetbelasting, maar in de praktijk wordt deze afwijzing vaak als bezwaar vatbaar behandeld, zoals bevestigd door jurisprudentie. De intrekking van een afgegeven beschikking is niet voor bezwaar vatbaar, aangezien de fiscale eenheid van rechtswege eindigt als niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. Bezwaar tegen het vervallen van de fiscale eenheid is niet mogelijk, maar er kan wel bezwaar worden gemaakt tegen belastingaangiften met betrekking tot interne prestaties.
-
2130151
Voor belastingjaren vanaf 2010 dient een buiten de wettelijke termijn ingediend bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting (IB) als verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling te worden genomen. Op dit verzoek moet bij voor bezwaar vatbare beschikking worden beslist. Er is geen sprake van een verzwaarde bewijslast bij een verzoek om ambtshalve vermindering volgens artikel 9.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De inspecteur moet ambtshalve een belastingaanslag verminderen zodra hem een onjuistheid blijkt, tenzij de termijn van vijf jaar is verstreken. De kennisgroep adviseert om bij niet-ontvankelijk verklaarde bezwaren deze als verzoek om ambtshalve vermindering te behandelen, ter bevordering van rechtsbescherming.
-
2130152
De bevoegdheid tot naheffing van omzetbelasting bij een ten onrechte verleende teruggaaf eindigt op grond van artikel 20, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vijf jaar na het jaar waarin de teruggaaf is verleend. Dit betekent dat in het geval van een negatieve suppletie over het jaar 2012, die in 2013 ten onrechte is verleend, naheffing mogelijk is tot en met 31 december 2018. De tekst van artikel 20, lid 3 AWR maakt een onderscheid tussen naheffingen wegens te weinig voldane belasting en naheffingen wegens ten onrechte verleende teruggaven, waarbij voor de laatste categorie de termijn vijf jaar na de verlening van de teruggaaf geldt. Een arrest van de Hoge Raad uit 2005 biedt mogelijk een ander perspectief, maar betreft de bevoegdheid van de inspecteur en niet de termijn voor correctie van de teruggaaf.
-
2130153
De Belastingdienst concludeert dat, indien geen aangifte schenkbelasting is gedaan en zowel de schenker als de begiftigde nog in leven zijn, de inspecteur een (navorderings)aanslag kan opleggen zodra hij met de schenking bekend wordt. De bevoegdheid tot het opleggen van deze aanslag vervalt echter na drie, vijf of twaalf jaar, afhankelijk van de omstandigheden, na de inschrijving van het overlijden van de schenker of begiftigde in de registers van de burgerlijke stand. De termijn voor navordering is in dit geval niet verstreken, omdat de schenkingen in 2003 of eerder hebben plaatsgevonden en er geen aangifte is gedaan.
-
2130154
De Belastingdienst heeft in een memo vastgesteld dat octrooigemachtigden niet kunnen weigeren mee te werken aan een derdenonderzoek op basis van artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dit geldt ook als de octrooigemachtigde tevens advocaat is. De geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR strekt zich uit tot octrooigemachtigden, wat betekent dat zij verplicht zijn om informatie die zij in het kader van belastingheffing verkrijgen, geheim te houden. Er is geen wettelijk fiscaal verschoningsrecht voor octrooigemachtigden, en zij moeten desgevraagd gegevens en inlichtingen verstrekken die relevant zijn voor de belastingheffing van derden. De memo benadrukt dat de geheimhoudingsverplichting ook geldt ten opzichte van de cliënt van de octrooigemachtigde.
-
2130191
Het is mogelijk om de behandelduur van een bezwaarschrift te verlengen, zelfs nadat de beslistermijn volgens artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verstreken. Dit kan door afspraken te maken met de belanghebbende, ongeacht of er al een ingebrekestelling is ingediend of de termijn na de ingebrekestelling is verstreken. Het maken van deze afspraken neutraliseert de juridische gevolgen van de termijnoverschrijding, hoewel het bezwaar formeel niet meer als Awb-conform wordt aangemerkt. Het is niet in strijd met de Awb om na het verstrijken van de beslistermijn contact op te nemen met de indiener van het bezwaarschrift.
-
2130192
Het verzoek om uitreiking van een BTW-nummer wordt beschouwd als een aanvraag voor een beschikking in de zin van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit verzoek is gelijk te stellen aan een aanvraag voor een aangiftebiljet omzetbelasting, noodzakelijk voor het verkrijgen van een teruggaaf van BTW. Indien de Belastingdienst niet tijdig een aangiftebiljet uitreikt na de aanvraag van een BTW-nummer, en aan de voorwaarden voor ingebrekestelling is voldaan, is de Belastingdienst verplicht een dwangsom te betalen op basis van artikel 4:17 van de Awb.
-
2130193
Dit memo van de Belastingdienst behandelt de procedure voor het indienen van bezwaar tegen een beslissing over een verzoek om ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting, zoals geregeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Bij te late indiening van bezwaar wordt dit niet-ontvankelijk verklaard, maar kan het verzoek ambtshalve worden behandeld. Indien de inspecteur het verzoek afwijst, gebeurt dit met een voor bezwaar vatbare beschikking. De omvang van het geschil na tijdig bezwaar betreft de ambtshalve beoordeling, die getoetst wordt aan de voorwaarden van artikel 45aa van de UR IB 2001. De rechtsbescherming in de bezwaarfase blijft beperkt tot de beoordeelde onderdelen van het verzoek om ambtshalve vermindering, en nieuwe geschilpunten kunnen tijdens de procedure worden ingebracht.
-
2130194
Artikel 3.14, lid 1, letter d van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing wanneer een belastingplichtige overlijdt voordat zijn veroordeling onherroepelijk is. De dood van de belastingplichtige leidt tot het vervallen van strafrechtelijke aansprakelijkheid, zoals bepaald in artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht en bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De inspecteur heeft geen bevoegdheid om de aftrekbeperking toe te passen zolang er geen onherroepelijke veroordeling is. De wet sluit aan bij de onherroepelijke veroordeling door een strafrechter, waardoor de belastingplichtige bij overlijden wordt bevrijd van de aftrekbeperking.
-
2130195
Bij het massaal opvragen van informatie bij kindercentra of gastouderbureaus op basis van de AWIR, dient de verzuimboete ex artikel 40 van de AWIR per opvraag te worden opgelegd, niet per betrokken BSN. De verzuimboete is van toepassing bij het niet of niet tijdig verstrekken van gegevens of inlichtingen en moet per overtreding worden opgelegd. De wetgeving biedt geen ruimte voor het opleggen van boetes per BSN, en de inspecteur moet bij het opleggen van boetes rekening houden met het evenredigheidsbeginsel. Dit voorkomt een ongewenste cumulatie van boetes bij meerdere BSN's in één informatieverzoek.
-
2130196
Een coöperatie kan niet als een algemeen nut beogende instelling (ANBI) worden aangemerkt volgens artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De wet definieert een ANBI expliciet als een instelling die niet de rechtsvorm van een coöperatie of andere specifieke lichamen mag hebben. De kennisgroep benadrukt dat het negeren van deze wettekst de bevoegdheden van de inspecteur te buiten gaat en dat er geen Europese of verdragsrechtelijke verplichting bestaat om een coöperatie als ANBI te kwalificeren. De wetgever heeft bewust gekozen voor deze uitsluiting, en er zijn geen aanwijzingen dat de inspecteur de wettekst zou negeren.
-
2130197
De Belastingdienst overweegt gegevens op te vragen bij het Openbaar Ministerie (OM) op basis van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het kader van een strafonderzoek. Het gebruik van fiscale adviezen als bewijs is verdedigbaar, mits deze rechtmatig zijn verkregen. Er bestaat echter een procesrisico dat het gebruik van deze adviezen kan worden uitgesloten op grond van het beginsel van fair play, zoals vastgesteld door de Hoge Raad. Dit beginsel verzet zich tegen het gebruik van informatie die de inspecteur niet op rechtmatige wijze heeft verkregen. De inspecteur moet ook vermijden dat hij betrokken raakt bij het strafrechtelijk onderzoek met louter fiscale doeleinden. Hoewel er jurisprudentie bestaat die het gebruik van dergelijke adviezen ondersteunt, blijft de mogelijkheid bestaan dat de rechter het bewijs uitsluit indien het gebruik in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur.
-
2130219
De inspecteur kan belastingplichtigen uitnodigen tot het doen van aangifte volgens artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Er is echter geen verplichting om dit bij elke aangifte te doen. Momenteel ontvangt een belastingplichtige periodiek uitnodigingen, maar er wordt onderzocht of dit kan worden verminderd om de papierstroom te reduceren. Het is niet toegestaan om belastingplichtigen éénmalig uit te nodigen tot het doen van aangiften, omdat de wet vereist dat de inspecteur hen uitnodigt bij vermoedelijke belastingplicht. De huidige regelgeving staat wel toe dat uitnodigingen minder frequent worden verzonden, bijvoorbeeld jaarlijks, maar een uitnodiging bij de aanvang van de belastingplicht voor een langere periode is niet opportuun. De Staatssecretaris moet hierover duidelijkheid geven.
-
2130220
De Belastingdienst heeft besloten dat automatisch becon-uitstel niet verleend mag worden, ook niet voor belastingplichtigen die vorig jaar uitstel hebben gekregen. Elk jaar moet een belastingconsulent een nieuw verzoek tot uitstel indienen voor zijn cliënten. Dit is in lijn met de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die vereist dat uitstel alleen kan worden verleend op basis van een specifiek verzoek. De rechtszekerheid van de belastingplichtige moet gewaarborgd zijn, en de duur van het uitstel moet kenbaar zijn. Jurisprudentie bevestigt dat uitstel expliciet verleend moet worden en dat stilzwijgend uitstel niet mogelijk is.
-
2130221
In het memo wordt besproken hoe om te gaan met de verrekening van een eerder opgelegde verzuimboete bij het opleggen van een vergrijpboete, zoals geregeld in artikel 67q van de AWR. In de casus wordt een systeemaanslag opgelegd wegens het niet doen van aangifte omzetbelasting, gevolgd door een boekenonderzoek dat leidt tot een naheffingsaanslag en een vergrijpboete voor opzettelijk niet betalen van omzetbelasting. De Hoge Raad oordeelt dat de vergrijpboete en de verzuimboete betrekking hebben op hetzelfde feit, waardoor de verzuimboete moet worden verrekend met de vergrijpboete. In een cijfervoorbeeld wordt uiteengezet hoe deze verrekening in de praktijk werkt, resulterend in een vergrijpboete die na verrekening lager uitvalt.
-
2130222
In de casus waarin een systeemaanslag en een aangifteverzuimboete zijn opgelegd wegens het niet doen van aangifte omzetbelasting, is het ne bis in idem-beginsel van toepassing. Dit beginsel, vastgelegd in artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht, voorkomt dat iemand voor dezelfde overtreding opnieuw wordt vervolgd, zelfs als de eerste boete is vernietigd. Wanneer de naheffingsaanslag later tot nihil wordt verminderd, kan er geen nieuwe boete worden opgelegd voor dezelfde feiten, omdat dit zou neerkomen op een dubbele vervolging. Het beginsel is bedoeld om te waarborgen dat niemand onterecht meerdere keren wordt geconfronteerd met sancties voor dezelfde overtreding.
-
2130223
In een casus waarin geen aangifte inkomstenbelasting is gedaan, wordt eerst een verzuimboete opgelegd op grond van artikel 67a van de AWR. Later blijkt dat de aanslag te laag is vastgesteld, wat leidt tot een navorderingsaanslag en een vergrijpboete op basis van artikel 67e van de AWR. De vraag is of dit onder artikel 67q van de AWR valt, wat wordt ontkend. De rechtbank Haarlem heeft in een eerdere uitspraak vastgesteld dat het opleggen van zowel een verzuimboete als een vergrijpboete voor hetzelfde feit leidt tot dubbele bestraffing, wat niet is toegestaan. De staatssecretaris van Financiën is van mening dat de vergrijpboete voor een ander feit wordt opgelegd dan de verzuimboete, waardoor artikel 67q niet van toepassing is. Dit standpunt wordt ondersteund door een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage. Het ne bis in idem beginsel, dat dubbele bestraffing verbiedt, is in deze context niet van toepassing.
-
2130224
De Hoge Raad heeft in arrest nr. 25 650 verduidelijkt dat uitstel voor het doen van aangifte kan worden verleend, zowel voor als na de termijn genoemd in de aanmaning. Dit betekent dat, zelfs na het verstrijken van deze termijn, uitstel kan worden verleend en de aangifte alsnog als tijdig wordt beschouwd. Indien de aangifte niet binnen de nieuwe uitsteltermijn wordt ingeleverd, moet er opnieuw een aanmaning worden verzonden, conform artikel 9, tweede en derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
-
2130225
Bezwaarbehandelaar B, die het bezwaar tegen de informatiebeschikking heeft afgewezen, mag niet ook het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2008 behandelen. Dit is ongewenst omdat B betrokken was bij de eerdere beslissing, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair-play-beginsel. De wetgeving, met name artikel 10:3, lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht, verbiedt dat degene die het primaire besluit heeft genomen, ook het bezwaar daartegen behandelt. Dit waarborgt een onbevoegde en zorgvuldige heroverweging in de bezwaarfase. Een uitspraak van B zou daarom formeel gebrekkig zijn, wat kan leiden tot terugverwijzing door de rechter in een beroepsprocedure.