Definities

Artikel 10a van de Wet op de Vennootschapsbelasting is een maatregel die grondslagerosie door groepsschulden moet voorkomen en leidt ertoe dat rente (en soorgelijke kosten) ten aanzien van een ‘besmette’ schuld niet aftrekbaar is. Een schuld is besmet als deze is aangetrokken van een verbonden partij, en waarbij de gelden zijn gebruikt voor besmette transacties; uitdelingen, stortingen, aandelenkopen. Deze transactie leiden doorgaans niet tot belaste inkomsten, terwijl – zonder deze maatregel – het aangaan van een schuld wel leidt tot aftrekbare kosten. Rente op besmette schulden is desalniettemin toch aftrekbaar als kan worden vastgesteld dat er sprake is van hoofdzakelijk zakelijke motieven voor de transacties.
Een Belastingverdrag is een overeenkomst tussen twee staten waarin de staten met elkaar afspreken hoe heffingsrechten worden verdeeld om dubbele belastingheffing te voorkomen, en om dubbele niet-heffing tegen te gaan. Belastingverdragen zijn erop gericht om ‘reele’ grensoverschrijdende economische activiteiten tussen de beide verdragspartners te stimuleren. Belastingverdragen bieden steeds vaker handvatten om misbruik met ‘irreele’ grensoverschrijdende economische activiteiten tegen te gaan. Zo kan veelal verdragsbescherming worden ontzegd wanneer aannemelijk is dat het verkrijgen van een voordeel in een bepaaldverdrag een belangrijke reden was voor de vormgeving van een bedrijfsstructuur. Zo wordt gebruik van ‘brievenbusmaatschappijen’ moeilijker gemaakt.
De conditionele bronbelasting is een heffing aan de bron over bepaalde rentebetalingen, royaltybetalingen, en vanaf 1 januari 2024 ook winstuitkeringen. De conditionele bronbelasting is slechts van toepassing voor betalingen aan verbonden entiteiten in landen in op een lijst opgenomen laagbelastende jurisdicties en niet-cooperatieve jurisdicties, en in misbruiksituaties. Ook betalingen aan verbonden entiteiten in landen die niet zijn opgenomen op de lijst kunnen onder de conditionele bronbelasting vallen als er sprake is van misbruik. Het tarief is gekoppeld aan het hoogste tarief van de Vennootschapsbelasting; 25.8%.
Een Coöperatie is een Nederlandse rechtsvorm. De Coöperatie is een vereniging, een cooperatieve vereniging. In het verleden werden cooperatieve verenigingen onder andere gebruikt voor samenwerking tussen ondernemers; bijvoorbeeld ten behoeve van de exploitatie van een melkfabriek, of voor gezamenlijke inkoop. Coöperaties worden ook gebruikt in internationale bedrijfsstructuren. In eerste instantie vanwege de flexibiliteit in de vormgeving, en omdat de Coöperatie geen Dividendbelasting hoefde in te houden ten laste van de leden (quasi-aandeelhouders). Tegenwoordig zijn coöperaties in internationale bedrijfsstructuren slechts bij uitzondering niet inhoudingplichtig voor de Dividendbelasting; namelijk als ze een materiele onderneming drijven.
De deelnemingsvrijstelling is een belastingvrijstelling van buitenlandse winsten ten aanzien van een kwalificerend aandelenbelang. De vrijstelling betreft zowel winstuitdelingen als vermogenswinsten ten aanzien van het belang. Het principe achter een deelnemingsvrijstelling is het voorkomen van dubbele belastingheffing over ondernemingswinsten, en het kunnen concurreren met lokale marktpartijen door niet aanvullend te belasten in Nederland.
De Dividendbelasting is een bronbelasting op winstuitdelingen. Een bronbelasting houdt in dat de belasting wordt geheven van – in het geval van de Dividendbelasting – de aandeelhouder door inhouding van de belasting op het dividend. In Nederland is de Dividendbelasting thans 15%. Vaak is de Dividendbelasting een voorheffing en kan de Dividendbelasting verrekend worden met de inkomstenbelasting die verschuldigd is door de aandeelhouder. Dat betekent overigens niet dat de aandeelhouder altijd het gehele bedrag aan Dividendbelasting kan verrekenen.
De term ‘entrepreneur‘ betekent (gewoon) ondernemer. In transfer pricing wordt deze term gebruikt om aan te geven dat een entiteit binnen de groep een zodanig complexe waarde toevoegende of strategische functie uitoefent, de meest significante ondernemingsrisico’s draagt, en/of eigenaar is van de meest unieke en strategische bezitting binnen de groep, en dat daarom het niet passend is, op basis van verrekenprijsmethoden het belastbaar resultaat van die entiteit te bepalen. Het resultaat van die entiteit is dan de resultante van alle andere transacties.
De Europese Unie is een samenwerkingsverband van de 27 lidstaten van de Europese Unie. Binnen de Europese Unie gelden regels die Europese ‘integratie’ – o.a. grensoverschrijdend zakendoen – stimuleren en belemmeringen verbieden. Zo mag een inwoner van de ‘eigen’ lidstaat niet slechter worden behandeld dan een inwoner van een andere lidstaat, indien sprake is van vergelijkbare gevallen (verbod of discriminatie). De Europese Unie schrijft ook harmoniserende belastingregels voor. Voorbeelden hiervan zijn de Moeder-Dochterrichtlijn, en de Interest en Royalty Richtlijn die dubbele belastingheffing binnen Europese grensoverschrijdende concerns moeten voorkomen. Andere voorbeelden zijn de Anti-Tax Avoidance Directives 1 en 2 die lidstaten voorschrijven bepaald misbruik te bestrijden. Recentelijk is de Pillar 2 Richtlijn aangenomen. Deze Richtlijn schrijft lidstaten voor regels te implementeren, die er op termijn effectief voor zorgen dat internationale ondernemingen met een omzet van 750mEUR overal waar ze actief zijn tenminste 15% belasting betalen. Daarnaast wordt onderhandeld over de Anti-Tax Avoidance Directive 3, welke lidstaten voorschrijft bepaalde belastinggrondslagbeschermende maatregelen te treffen ten aanzien van ‘brievenbusmaatschappijen’. Het overeenkomsten van dergelijke richtlijnen vereist unanimiteit; de vakministers van alle lidstaten moeten instemmen met de regels. Dit leidt er vaak toe dat compromissen moeten worden gesloten.
De heilige drie-eenheid in het vaststellen van Verrekenprijzen bestaat uit: functies, activa, risico‘s. Deze drie elementen worden gewogen om een ‘profile’ van de onderneming te maken (‘functional profile’). Dit profiel is het startpunt voor de beoordeling van een zakelijke beprijzing van de activiteiten (Verrekenprijzen).
Een Houdstervennootschap of houdster is een vennootschap die als functie heeft het houden van aandelen in een andere vennootschap of in andere vennootschappen. Houdstervennootschappen kunnen om verschillende redenen worden gebruikt en hoeven niet te worden gebruikt voor belastingbesparing. Houdsters kunnen echter wel een belastinbesparendefunctie hebben. Veelal als we het in Nederland hebben over brievenbusmaatschappijen hebben wij het over houdsters en/of financieringslichamen. Houdsters kunnen ook worden gebruikt om verdragsvoordelen te krijgen. Wanneer wordt gesproken van een ‘tophoudster‘, dan is sprake van een Houdstervennootschap die strategische, beleidsmatige en financiele invloed uitoefent op zijn directe en indirecte dochterondernemingen. Doorgaans wordt dat geacht een reele bedrijfseconomische activiteit te zijn. Wanneer wordt gesproken van een ‘tussenhoudster‘, dan is sprake van een vennootschap die zelf geen (omvangrijke) bedrijfseconomische activiteiten uitoefent, maar die wel een bepaalde functie (bijvoorbeeld een ‘schakelfunctie‘) binnen de groep heeft. Een tussenhoudster wordt minder snel geacht een reele bedrijfseconomische functie te hebben. Er kan in bepaalde gevallen vereist zijn dat een tussenhoudsterrelevante substance‘ heeft.
Hybride mismatches kunnen leiden tot dubbele aftrek, of aftrek zonder betrekking in de heffing. Hierdoor kan het effectieve belastingtarief van een groep worden verlaagd. Het is dus een kostenbesparing. Er bestaan verschillende varianten van hybriditeit, maar de kern is dat het ene land een transactie of structuur anders ziet dan het andere land, en als gevolg van het verschillend beschouwen van een transactie of structuur wordt een belastingbeparing behaald; die dubbele kostenaftrek terwijl de kosten maar een keer worden gemaakt, of het kunnen aftrekken van kosten die niet gemaakt zijn.
De Innovatiebox is een verlaagd effectief tarief voor bedrijfsopbrengsten die zijn toe te rekenen aan innovaties. Het tarief is (effectief) 9%. De Innovatiebox kan alleen worden toegepast op zelf-ontwikkelde innovaties. De Innovatiebox kan bijvoorbeeld niet worden toegepast op ‘aangekocht’ intellectueel eigendom.
Een lucratief belang betreft o.a. aandelen, vorderingen, of rechten waarmee (mede) een beloning wordt beoogt voor werkzaamheden (artikel 3.92b Wet inkomstenbelasting 2001). Het te verwachten rendement moet in verhouding tot de investering en het gelopen risico hoger zijn dan een normaal te verwachten rendement. Lucratieve belangen komen geregeld voor in het kader van ‘private equity’ investeringen en start-ups/scale-ups. In het rapport “Private equity en fiscaliteit” (2017, niet meer eenvoudig te vinden) is een heel hoofdstuk gewijd aan het lucratief belang (hoofdstuk 9).
Een materiële onderneming is een bundeling van kapitaal en arbeid, die in het economisch verkeer actief is met het oogmerk een resultaat te behalen dat het resultaat te verwachten met normaal (passief) vermogensbeheer overtreft. Oftewel: ‘een rokende schoorsteen’.
De uitkomst van een vergelijkbaarheidsanalyse in het kader van Verrekenprijzen wordt vaak uitgedrukt in een bandbreedte. Om tot deze bandbreedte te komen wordt een eerste (handmatige) selectie gemaakt. Wanneer bedrijfsmarges worden vergeleken, worden bijvoorbeeld doorlopend verlieslatende bedrijven veelal niet meegenomen. Hieruit volgt een brandbreedte (‘full range’), een interkwartielafstand (‘interquartile range’) en een mediaan. Doorgaans wordt aangenomen dat een verrekenprijs binnen de ‘interquartile range’ moet vallen. Het uitgangspunt van de Nederlandse fiscus is dat de mediaan wordt genomen, tenzij er goede argumenten zijn om een hogere of lagere plek te kiezen.
Een Participatiemaatschappij is een ‘platform waar arbeid en kapitaal’ samenkomen. Het bijeenbrengen van arbeid en kapitaal kan ertoe leiden dat een onderneming/ondernemingsactiviteit ontstaat. Een Participatiemaatschappij heeft veelal één partij die arbeid inbrengt, en verschillende partijen die geld bijeenbrengen; de investeerders. Vaak zijn die investeerders institutionele beleggers, zoals verzekeraars, pensioenfondsen etc. Vaak is sprake van ‘private equity’.
Een ‘Ruling‘ is een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en de belastingplichtige waarin rechtsonzekerheid wordt weggenomen door afspraken te maken over de uitleg van de wet in een specifiek geval.
Voor het vaststellen van een zakelijke prijsstelling tussen gelieerde entiteiten (’transfer pricing’) wordt met publieke financiele data een gezocht naar wat in vergelijkbare situaties tussen ongelieerde partijen zou worden betaald. Vaak leidt dit tot een vergelijking op de ‘netto-winstmarge’. Afhankelijk van het type ondernemingsactiviteit wordt gekeken naar de netto-winstmarge uitgedrukt in een percentage van de kosten, omzet, of bezittingen.
Een Vaste inrichting is een ondernemingsactiviteit van een entiteit of natuurlijk persoon in een ander land dan waarin de entiteit is gevestigd of de natuurlijk persoon woonachtig is. Indien een in een buitenland gevestigde entiteit of een in een buitenland woonachtig natuurlijk persoon een Vaste inrichting heeft in Nederland is deze over de inkomsten van de Vaste inrichting belastingverschuldigd. Indien een in Nederland gevestigde entiteit of een in Nederland woonachtige natuurlijk persoon een Vaste inrichting heeft in het buitenland zijn de inkomsten in beginsel in Nederland vrijgesteld van belasting.
Vennootschapsbelasting is de belasting over ondernemingswinsten van in Nederland gevestigde bedrijven, bijvoorbeeld Naamloze Vennootschappen, Besloten Vennootschappen, Coöperaties, maar ook vergelijkbare buitenlandse en binnenlandse typen rechtsvormen. Het tarief van de Vennootschapsbelasting is tegenwoordig 19% van de winst tot EUR 200,000, en 25.8% over het meerdere.
Een verrekenprijs betreft de prijsstelling voor het leveren van goederen of diensten tussen met elkaar verbonden lichamen of personen. In de Nederlandse wet is een regeling opgenomen die voorschrijft dat inkomen van een belastingplichtige in beginsel wordt bepaald op basis van prijzen die ook zouden worden overeengekomen tussen niet met elkaar verbonden partijen (‘arm’s length’). Deze regeling voorkomt manupulatie van de winst door het afspreken van prijzen die niet met elkaar verbonden partijen nooit met elkaar zouden maken.
De vestigingsplaats van een rechtspersoon is van belang voor het vaststellen van – de omvang van – de belastingplicht van entiteiten in bepaalde landen. In Nederland is de hoofdregel voor het bepalen van de vestigingsplaats van een entiteit de plek waar de feitelijke leiding over de onderneming wordt uitgeoefend. Voor bepaalde wetten bestaat ook een vestigingsplaatsfictie, zoals voor de Vennootschapsbelasting, de Dividendbelasting, de conditionele bronheffing. Op basis van deze vestigingsplaatsfictie wordt een naar Nederlands recht opgerichte rechtspersoon (bijvoorbeeld een BV), altijd geacht gevestigd te zijn in Nederland. Dat zorgt ervoor dat deze in beginsel ook altijd onderworpen blijft aan de belastingen waarvoor een vestigingsplaatsfictie geldt, ook als de feitelijke leiding wordt verplaatst of als de entiteit wordt omgezet in een rechtspersoon beheerst door het recht van een ander land (‘grensoverschrijdende omzetting’). Belastingverdragen kunnen het heffingsrecht echter beperken.

LinkedIn
LinkedIn
Share
WeChat
WhatsApp