AI-samenvatting
Deze uitspraak betreft de belastingheffing van lokaal aangeworven personeel van de Amerikaanse ambassade in Nederland. Het Hof concludeert dat deze medewerkers als inwoners van Nederland worden beschouwd voor de inkomstenbelasting, ondanks hun Amerikaanse nationaliteit, en dat zij recht hebben op voorkoming van dubbele belasting.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Publicatiedatum**
02-2016
**Geldigheidsperiode**
Kennisgroep
IBR IB niet winst LB
**Categorie**
Wet IB
**Rubriek**
binnenlandse belastingplicht
**Sub rubriek**
Niet van toepassing
**Medewerker VS ambassade**
**Vraag**
Belastingheffing inkomen lid administratief personeel VS ambassade, lokaal aangeworven. Medewerker heeft zowel nationaliteit van VS als van NL. Uitspraak gerechtshof Den Haag 14 oktober 2015 (ECU NL GHDHA 2015:2906).
In geschil is of de belastingheffing over het inkomen dat belanghebbende in 2009 en 2010 van de Amerikaanse ambassade geniet, is toegewezen aan Nederland en of dat inkomen behoort tot het Nederlandse belastbare inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001. En zo die vraag bevestigend wordt beantwoord, of belanghebbende in Nederland recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
Dat heeft geleid tot de volgende vragen over de uitwerking van deze uitspraak in de aangifte. Volgens onze nationale wetgeving wonen deze mensen, naar de omstandigheden beoordeeld, in Nederland, hebben hier hun eigen woning, etc. Volgens het verdrag TWDB worden zij als inwoner van de VS aangemerkt. Op grond van artikel 33 lid Uitvoeringsregeling AWR moeten zij in Nederland in de heffing worden betrokken, maar op grond van artikel 33 van het verdrag TWDB zijn zij geen inwoner en is de heffing op grond artikel 20 lid van dat verdrag toebedeeld aan de VS. Geven zij dan toch gewoon hun wereldinkomen in Nederland aan als binnenlands belastingplichtigen en geeft NL een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting? En hoe zit het bijvoorbeeld met Amerikaanse banktegoeden, etc.? Of worden zij nu aangemerkt als buitenlands belastingplichtig? En hoe zit het dan met de eigen woning die hoofdverblijf is, terwijl hij hier niet woont? Is dit dan nog een boxwoning?
—
**Antwoord**
Voor de toepassing van de Wet IB 2001 is en blijft sprake van een inwoner van Nederland. Als inwoner moet belanghebbende het wereldinkomen aangeven. Vervolgens wordt het heffingsrecht door de toepassing van het belastingverdrag NL VS beperkt. Het is niet zo dat een bepaling in een belastingverdrag zoals art. 33 plots de kwalificatie van binnenlandse naar buitenlandse belastingplichtige kan laten omslaan.
Dat volgt ook wel uit de uitspraak van het Hof Den Haag, overweging 7.1:
1. Belanghebbende heeft zijn woonplaats als bedoeld in artikel 1 lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in Nederland. Ingevolge artikel 2.1 Wet IB 2001 is belanghebbende in beginsel belastingplichtig voor de inkomstenbelasting hier te lande. Artikel 20 van het Verdrag brengt mee dat belanghebbende ingevolge lid 1 of ingevolge de tiebreaker van lid 2, gelet op zijn duurzaam tehuis in Nederland, wordt geacht inwoner te zijn van Nederland voor de toepassing van het Verdrag.
Als het Hof Den Haag tot de conclusie was gekomen dat voor de toepassing van de Wet IB 2001 er sprake zou zijn van een buitenlandse belastingplichtige, dan was het oordeel geweest dat er geen sprake was van Nederlands inkomen. Wet IB 2001. Dus in dat geval had het inkomen niet eens moeten worden aangegeven. Enkel voor de toepassing van artikel 33 Verdrag wordt hij geacht inwoner van de Verenigde Staten te zijn. Het Hof oordeelt echter dat er voorkoming van dubbele belasting moet worden verleend op grond van artikel 20 eerste lid onderdeel van het Verdrag. Dat impliceert dat betrokkene voor de toepassing van de Wet IB 2001 binnenlandse belastingplichtige blijft.
Het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende is onderworpen in de VS aan dezelfde verplichtingen als inwoners van de VS, alsmede dat het loon van belanghebbende op grond van het eerste lid onderdeel van artikel 20 van het Verdrag slechts belastbaar is in de VS en dat de voorkoming meebrengt dat hier te lande per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd is, is juist. De rechtbank had overwogen:
19. Gelet op het voorgaande mist artikel 20 eerste lid onderdeel van het Verdrag toepassing. Derhalve is het loon van [belanghebbende] op grond van het eerste lid onderdeel van die bepaling slechts belastbaar in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zijn inkomen voor voorkoming van dubbele belastingheffing in aanmerking komt en dit brengt mee dat [belanghebbende] per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd is over zijn belastbare inkomen uit werk en woning.
Door de toepassing van artikel 33 Verdrag kan Nederland vervolgens ook niet meer heffen over de Amerikaanse spaartegoeden. Immers, onze Wet IB 2001 box wordt hier overruled door de verdragstoepassing. Voor de uitvoering is dit een lastige. We kunnen immers geen aftrek elders belast verlenen voor banktegoeden. Het spaartegoed is echter wel van belang voor het verzamelinkomen. Uit praktische overwegingen zou je via de rubriek onroerende zaken het spaartegoed buiten de heffing kunnen laten.
Belanghebbende heeft hoofdverblijf in Nederland. Er blijft dus sprake van een eigen woning in Nederland die via box 1 loopt. In verband met deze aftrek is het van belang dat het wereldinkomen wordt aangegeven, omdat anders een te verrekenen verlies zou ontstaan, hetgeen natuurlijk niet de bedoeling is. Als inwoner van Nederland moet het zogenaamde wereldinkomen worden aangegeven. De Belastingdienst kan belastingplichtige uitnodigen tot het doen van aangifte. In de aangifte moet dus het Amerikaanse inkomen worden aangegeven. Dat inkomen kan immers mede van belang zijn voor toeslagen, heffingskortingen, etc. Het feit dat wij geen contra-informatie hebben van het genoten inkomen is een uitvoeringsprobleem. Als een inwoner van Nederland moet belanghebbende wel de relevante informatie over zijn wereldinkomsten melden (art. 47 AWR). In dat geval kopie 1040 opvragen. Desnoods door middel van een informatiebeschikking als belastingplichtige deze informatie niet wil verstrekken. Ook als een inwoner van Nederland in loondienst is van een buitenlandse werkgever, heeft de Belastingdienst geen contra-informatie. Via gegevensuitwisseling zal dat uiteindelijk moeten worden uitgewisseld.
Ik besef dat ik hier wel kort door de bocht ga. De Amerikanen zullen natuurlijk stellen dat voor hen geen sprake is van iemand die in het buitenland woont, dus hoezo gegevensuitwisseling.
Geef een reactie