2015702

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt de fiscale behandeling van een lijfrente-uitkering bij een eigen BV besproken. De uitkeringen worden als periodieke uitkeringen aangemerkt, waardoor er geen heffing plaatsvindt op basis van artikel 392 lid 2 van de Wet IB 2001.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
Naam dienstonderdeel
Kenrisgroep resultaat overige werkzaamheden
Aan kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting
Van Kennisgroep ROW
Contactpersoon
memo 19 2018
Referentienummer 18 059 009
Behandeld door
Onderwerp Kopie aan
Bijlagen

**Vraag 18 059 009 lijfrente nav inbreng in bv**

**Feiten, beschouwing en preadvies van de vraagsteller**
Door de kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting is een verzoek gedaan om de ROW-aspecten te beoordelen in een casus die bij deze kennisgroep in behandeling is. Door de kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting is de vraag als volgt geformuleerd:

Belastingplichtige heeft in het kader van de inbreng van de onderneming in een BV een lijfrente bedongen. De lijfrente ziet op de stakingswinst voortvloeiend uit de stille reserves van onroerende zaken die naar het privévermogen zijn overgeheveld. De waarde van de inbreng is onvoldoende om de lijfrentepremie te dekken en de premie wordt met vreemd vermogen gefinancierd. De lijfrenteaftrek is door de inspecteur gecorrigeerd omdat de betaling in feite schuldig is gebleven, een kasrondje via de bank. De overeenkomst kan daardoor niet worden benut voor de omzetting van de stakingswinst en afwikkeling van de oudedagsreserve, maar is civielrechtelijk wel tot stand gekomen. Wat betekent dit voor de fiscale behandeling van de uitkering?

De vraagsteller schrijft met betrekking tot de ROW-aspecten in het conceptantwoord:
De belastbaarheid van lijfrenten bedongen bij de eigen BV is bepaald in artikel 92 lid 10 van de Wet IB 2001. Omdat echter sprake is van een lijfrente die valt onder afdeling 3.5 van de Wet IB 2001 en sprake is van een aanvulling op een pensioentekort, is de uitkering belast op grond van artikel 100 lid 1 onderdeel b van de Wet IB 2001 juncto artikel 125, artikel 124 lid 1 onderdeel b en artikel 129 van de Wet IB 2001.

**Vraag**
De vraagsteller verzoekt de kennisgroep resultaat overige werkzaamheden of de kennisgroep zich in dit antwoord kan vinden en verwijst daarbij naar de kennisgroepvraag 12 059 0005.

**Antwoord**
De kennisgroep resultaat overige werkzaamheden kan zich in het antwoord vinden. In de onderhavige casus worden de uitkeringen in aanmerking genomen als periodieke uitkeringen als bedoeld in afdeling 3.5 van de Wet IB 2001. Er is geen heffing op grond van artikel 92 lid 10 van de Wet IB 2001.

**Beschouwing**
In de betreffende casus is bij de ruisende inbreng in de eigen BV een lijfrente bedongen voor de stakingswinst. De inbrengwaarde van de onderneming was onvoldoende om aan de stortingsverplichting met betrekking tot het lijfrentekapitaal te voldoen. Ook overigens waren er niet voldoende liquide middelen om de stortingsverplichting te voldoen. Door belanghebbende werd de betaling in feite schuldig gebleven.

Door de kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting is geconcludeerd dat:
Er sprake is van een levensverzekering en een lijfrente als bedoeld in de artikelen 6a en 10 lid 1 van de Wet IB 2001. De uitkeringen uit overeenkomsten van levensverzekering bedongen bij de eigen BV zijn op grond van artikel 92 lid 10 van de Wet IB 2001 als resultaat uit overige werkzaamheden belast. Een uitzondering op deze regel is de uitkering die anders in aanmerking zou worden genomen als een uitkering als bedoeld in afdeling 3.5 van de wet.

De uitkering is belast als een periodieke uitkering als bedoeld in genoemd artikel 100 lid 1 onderdeel b van de Wet IB 2001. Kennisgroepvraag 12 059 0005 gaat over een casus waarin een belastingplichtige bij de eigen BV een bedrag heeft gestort en in ruil daarvoor het recht krijgt op lijfrentetermijnen. In de betreffende casus is in tegenstelling tot de huidige casus geconcludeerd dat er geen sprake is van een pensioentekort. De uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 92 lid 10 van de Wet IB 2001 werd daar niet aanwezig geacht.

In de casus die thans is voorgelegd, is geconcludeerd dat deze situatie zich wel voordoet. De heffing vindt dan niet plaats op grond van de resultaatbepalingen, maar op grond van de bepalingen van afdeling 3.5 van de Wet IB 2001.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *