AI-samenvatting
Dit bindend advies behandelt de toepassing van artikel 3-1-b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap en nalatenschap. De kennisgroep concludeert dat er twijfels zijn over de toepassing van dit artikel op de huidige situatie.
Kennisgroepstandpunt
Limburg/kantoor Maastricht
Postbus 4486 6401 CZ Heerlen Telefoon
Kennisgroep over i
Doorkiesnummer 5.1.28
Datum
28 maart 20185.1.22
Behandeld door
| 5.1.2e |
KG OVB
Vraag
18 – 052 – 06
Betreft
Toepassing art. 3-1-b WBR.
Bindend advies.
Geachte mevrouw 5.1.2e
U heeft de kennisgroep een vraag gesteld omtrent de toepassing van artikel 3-1-b Wet op
belastingen van rechtsverkeer (hierna WBR).
Hieronder treft u het antwoord (bindend advies) aan.
Casus.
Vader en moeder zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Tot die gemeenschap behoort het
woonhuis. Het echtpaar heeft67 Awt zoons. Door het overlijden van moeder in [67 Awrlis de
gemeenschap van goederen ontbonden. De ontbonden gemeenschap is nimmer verdeeld. Hetwoonhuis vormt in[e? Awrhog het enige bestanddeel van de ontbonden gemeenschap
(vaststellingsovereenkomst).
Vader hertrouwt op| 67 Awr _| Tot dat moment was hij als enige erfgenaam onder ontbindende
voorwaarde (van hertrouwen) gerechtigd tot de nalatenschap van moeder. Het huis behoorde hem
toen, deels krachtens erfrecht deels krachtens huwelijksvermogensrecht, met uitsluiting van
anderen toe (materieelrechtelijk).
Vanaf het moment van hertrouwen zijn de zonen, die tot dien erfgenamen van moeder waren onder
opschortende voorwaarde, als enigen gerechtigd tot de nalatenschap van moeder. Het huis
behoorde vanaf dat moment voor de ene helft krachtens erfrecht toe aan de zonen en voor de
andere helft aan de vader krachtens huwelijksvermogensrecht.
Vader en de twee zonen zijn voornemens het huis thans [ 67 Awr aan een van de zonen toe te delen.
Vragen.
1. Is sprake van een verdeling?
2. Is sprake van verdeling van de nalatenschap van moeder?
3. Is sprake van verdeling van de door overlijden van moeder ontbonden huwelijksgemeen
schap tussen vader en moeder?
Bezoekadres
In uw antwoord datumen kenmerk van deze brief vermelden Terra Nigrastraat 10
Maastricht
1970630 00027
Kenmerk 2
18-052-06
Beschouwing.
Art. 3-1-aanhef en onder b WBR luidt:
1. Als verkrijging wordt niet aangemerkt die krachtens:
b. verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap, waarin de verkrijger was gerechtigd
als rechtverkrijgende onder algemene titel;
Zowel de vader als de zonen zijn gerechtigd als rechtverkrijgenden onder algemene titel in het huis:
vader krachtens huwelijksvermogensrecht en de zonen krachtens erfrecht. Het huis vormt een
gemeenschap. De zoon verkrijgt krachtens verdeling (art. 3:182 BW).
De voor toepassing van art. 3-1-b WBR relevante vraag is of de verdeelde gemeenschap (die nog
alleen het huis omvat) als huwelijksgemeenschap is aan te merken.
Ter vergelijkging: hoe zou het zijn geweest, als er geen tweetrapserfstelling was gemaakt, maar
moeder de zonen meteen had benoemd tot enige erfgenamen, dus onvoorwaardelijk, en de
verdeling van het huis pas in 2018 tussen vader en de twee zonen zou zijn tot stand gebracht? Zou
dan op de verkrijging door de zoon krachtens verdeling van het huis, art. 3-1-b WBR van toepassing
zijn geweest?
Van een eerdere verdeling van het huis is geen sprake geweest, zodat de kwalificatievraag die kan
spelen bij een opvolgende verdeling van het huis hier niet aan de orde is (vgl. HR 16 september
2005).
Toch is ook nu de vraag of de gemeenschap van het huis, dat het laatste nog resterende goed
vormt dat heeft behoord tot de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen vader en moeder, als
huwelijksgemeenschap moet worden gekwalificeerd of als een eenvoudig (gewone) gemeenschap.
In casu is sprake van een tweetrapsmaking, die er – in ieder geval materieel/economisch – toe heeft
geleid dat vader tot aan zijn hertrouwen enig eigenaar is geweest van de gehele
huwelijksgemeenschap. De facto was er dus helemaal geen gemeenschap. Dat werd anders toen
vader hertrouwde en de zonen in zijn plaats gerechtigd werden tot de door moeder nagelaten helft
van het huis. Deze gang van zaken roept de volgende vraag op:
Kan een huwelijksgemeenschap herleven (en daarmee toepassing van artikel 3-1-b WBR
herleven)? Zo ja, is daarvan in casu sprake?
Twee benaderingen zijn mogelijk.
1. De materiële benadering:
1. Vader was als enige gerechtigd tot het huis van| 67 Awr —_ kodat er gedurende die tijd geen
huwelijksgemeenschap meer was (immers slechts één eigenaar);
2. Het feit dat in 67 Awrb e zonen samen met hun vader tot het huis gerechtigd werden heeft weliswaar
tot gevolg gehad dat er een gemeenschap is ontstaan, maar heeft niet tot gevolg gehad dat een
huwelijksgemeenschap ontstaat (‘herleeft’). Op de verdeling is dan art. 3-1-b WBR niet van
toepassing.
2. De formele benadering:
1. De zonen zijn – in materiële zin – pas in Er Awlvoor de helft mede-eigenaar geworden van het huis
(samen met vader die de andere helft bezit); vader was tot dat moment – in materiële zin – enig
eigenaar;
2. Vorenstaande neemt niet weg dat vader sinds ad 50% onvoorwaardelijk en voor 50%
voorwaardelijk eigenaar was en de zonen sinds B7 Awisamen voor 50% eigenaren waren onder
opschortende voorwaarde.
3. De huwelijksgemeenschap was tusser| 67Awr wel materieel ‘verdwenen’, maar niet
formeel. Materieel herleeft de gemeenschap wel, formeel niet. Op de verdeling is dan art. 3-1-b
WBR wel van toepassing.
1970630 00027
1970630Kenmerk 3
18-052-06
Het is niet denkbeeldig dat de rechter eerder de formele dan de materiële benadering zal verkiezen
(zie het artikel van J.C.van Straaten, JBN 2016-39), maar zeker is dat niet.
Conclusie.
De kennisgroep heeft er – mede ook gezien de uitstralingsaffecten – moeite mee op de verdeling art.
3-1-b WBR toe te passen.
5.1.2
Ik hoop u hiermee naar genoegen geïnformeerd te hebben.
9.1.2e
00027
Geef een reactie