1951437

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt beoordeeld of een vennootschap opgericht naar het recht van de Britse Maagdeneilanden kan worden toegevoegd aan een fiscale eenheid in Nederland. De ruling concludeert dat dit niet mogelijk is, omdat de vennootschap niet voldoet aan de vereisten van de wet Vpb.

Kennisgroepstandpunt

Memo
VraagIbr1525
Kan een vennootschap opgericht naar
hetrechtvan deBritse Maagdeneilanden
alsdochtermij gevoegd worden ineen FE
Vpb
KGIBR Winst Aan
Van512e
Datura 21augustus 2015
Kopie aan KG Fusies Fiscale Eenheden
Casus
Ineen aanvraagvoor een beschikking Fiscale Eenheld Vpb zijn devolgende gegevens
verstrekt
Tevoegen dochlermaatschappij
National iteItXLtdopgerichtnaar het rechtvan deBritse Maagdeneilandenenfeitelijk
gevestigd inNederland
Rechtsvorm Een naar buitenlands recht opgericht lichaam met een inaandelen verdeeld
kapitaal vergelijkbaar met deNederlandse BV
Vraag
Kan een vennootschap opgericht naar hetrechtvan deBritse Maagdeneilanden enfeitelijk
gevestigdinNederland gevoegd worden ineen Fiscale Eenheld Vpb
Beschouwing
Omgevoegdtekunnen worden moet voldaan zijnaan devoorwaarden van artikel 15wet
Vpb Inhet kader van deze vraag worden devoorwaarden van artikel 15 lid3letter cene
wetVpb beoordeeld
Deze bepalingen bevatten verkort weergegeven devolgende vereisten die
achtereenvolgens behandeld worden
Art 15 lid3letter c
Dealsdochtermaatschappij tevoegen belastingplichtige moet gevestigd zijninNederland
Ingeval opbelastingplichtigeeenverdragtervoorkomingvan dubbele belastingvan
toepassing ismoet belastingplichtige ookvolgens datverdrag geacht worden inNederland
tezijn gevestigd
Art 15 lid3letter e
Detevoegen dochtermaatschappijiseen naar aard eninrichting met een NV ofBVte
vergelijken lichaam dat isopgericht naar het rechtvan een inonderdeel dbedoeld land
bedoeld heffingsgebled binnen het Rijk ofbedoelde staat
Onderdeel dnoemt deBES eilanden Aruba Curacao Sint Maarten een lidstaat van de
Europese Unie ofeen staat inderelatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting van toepassingiswaarin een bepalingisopgenomen die
discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor lichamen dieoverigensindezelfde
omstandigheden verkeren als naar Nederlands recht opgerichte lichamen
1951437 00025
Artikel 15lid3letter c
Indeaanvraag voor deFE isvermeld datdevennootschap feitelijk inNederiand is
gevestigd Beoordeeid moetworden ofmogeiijk een verdrag van invioed isopde
vestigingspiaats
Met deBritse Maagdeneiiandenisgeen verdrag tervoorkoming van dubbeie belasting
gesloten ishetverdrag Nederiand Verenigd Koninkrijk op ditoverzeese gebiedsdeel van het
Verenigd Koninkrijkvan toepassing
Artikei 31cvan datverdrag geeft een definitie van hetVerenigd Koninkrijk
betekent deuitdrukking ‘Verenigd Koninkrijk’ Groot Brittannie enNoord ierland met inbegrip
van eikgebied buiten deterritoriaie zee van hetVerenigd Koninkrijk dat isaangewezenuit
hoofde van zijnwetgeving inzake het Continentaai Plat en inovereenstemming met het
internation ale recht als een gebied waarbinnen derechten van hetVerenigd Koninkrijk met
betrekking totdezeebodem endeondergrond enhun natuuriijke rijkdommen mogen worden
uitgeoefend”
Uitdeze definitie voIgt dat hetverdragziet opEngeiand Wales Schotland enNoord ierland
enniet opdeoverzeese gebieden waaronder deBritse Maagdeneiianden Tijdens de
parlementaire behandeling van hetverdragisdaaraan noginhetbijzonder aandacht besteed
Kamerstukken il2009 1032145 nr6p23 indeparlementaire behandeling komt oa
hetvolgende naar voren Voor zowel deoverzeese gebieden alshet kroonbezit geldt dat zij
autonoom zijn wat betreft deinvulling van hun belastingstelsel enbevoegd zijn zelf
belastingverdragenteonderhandelen Met geenvan deze gebieden heeft Nederland
volledige belastingverdragen gesloten
Deconclusie isdat hetverdrag Nederiand Verenigd Koninkrijk niet van toepassingisopde
Britse Maagdeneiianden
Devestigingspiaats wordt dus niet beTnvIoed door enig verdrag tervoorkoming van dubbeie
belasting Slechts artikel 4AWR isbepalend voor devestigingspiaats
Artikel 15lid3letter e
Hierin zijn twee elementen teonderkennen
1Detevoegen dochtermaatschappijisnaar aard eninrichting met een NV ofBV te
vergelijken
Artikel 15 lid4wetVpb jo artikel 3BFE geeft nadere regels Inhoeverre aan deze vereisten
wordt voldaan dient mogeiijk nader teworden beoordeeid
NBArtikel 3lid 1letter bBFE verlangt onderworpenheid aan een belasting naar dewinst
inhet land van oprichting Inhoeverre een vennootschap opdeBritse Maagdeneiianden
daaraan isonderworpen zal dan moeten worden onderzocht
2Oprichting heeft plaatsgevonden naar het recht van
aeen staatwaarmee Nederland een verdragtervoorkom ingvan dubbeie belasting heeft
gesloten dan wel
been lidstaat van deEU
Ad aHiervoor isuiteengezet dat hetverdrag Nederiand Verenigd Koninkrijk niet van
toepassingisopdeBritse Maagdeneiianden Met ditoverzeese gebiedsdeel van het
Verenigd Koninkrijk heeft Nederland overigens ook niet afzonderlijk een dergelijk verdrag
gesloten
AdbInhoeverre kan een vennootschap opgericht naar het recht van een LGO worden
gelijkgesteld met een EUvennootschapcqeen beroep doen opdevrijheid van vestiging
van artikel 49VWEU
Artikel 52 lid2van hetEUverdrag verwijst naar artikel 355VWEU voor bepaling van het
territoriaie toepassingsgebied van deverdragen Lid2van artikel 355VWEU bepaalt dat een
overzees gebiedsdeel datgenoemdisinbijiageIIonderwerp vormt van debijzondere
associatieregeling omschreven inhet vierde deel van hetVWEU artikel 198 totenmet 204
DeBritse Maagdeneiianden worden genoemdinbijiageII
DeassociatieregelingisuitgewerktinhetLGO besluit van 25november 2013 2013 755 EU
Inpunt 4van deconsiderans van het besluit istelezen dat deLGO geen derde landen zijn
maar ook geen deel uitmaken van deeengemaakte markt HetVWEU isniet automatisch van
toepassing opdeLGO met uitzondering van een aantal uitdrukkelijk alszodanig
aangegeven bepalingen
1951437 00025
De Britse Maagdeneilanden maken dus geen deel uitvan deinterne markt enzijnniet aan te
merken als een lidstaatvan deEU
Deverhouding tussen lidstaten eneen LGO wordt conform artikel 203VWEU verder
uitgewerktinhetLGO besluit Mogelijk kan deLGO vennootschap daaraan nogzodanige
rechten ontlenen dat zijvoor onderhavige casus gelijkgesteld wordt met een EU
vennootschapInhetLGO besluit wordt uitgegaanvan dedoeleinden diebeschreven staan
inartikel 199VWEU
Onderdeel 5van artikel 199 behandelt het recht van vestiging Volgens diebepaling wordt in
debetrekkingen tussen delidstaten endelanden het recht van vestigingvan onderdanen en
rechtspersonen opvoetvan non discriminatie geregeld overeenkomstig debepalingen van
het betreffende hoofdstuk van hetVWEU behoudens dekrachtens artikel 203 vastgestelde
bijzondere bepalingen Artikel 199 behoeft overigens een nadere invulling door hetLGO
besluit enheeft zelf geen directe werking Het LGO besluit vult dan vervolgens het recht van
vestiging ten aanzien van een LGO inenbrengt daarin ook een beperkingaan een
beperking diemogelijk wordt gemaakt door het laatste zinsdeel van onderdeel 5
behoudens enz
Deel 3titel IIhoofdstuk 2van hetLGO besluit artikel 50 tot enmet 52 behandelt de
regeling voor dehandel indiensten envoor vestiging
Artikel 51 lid 1letter avan het besluit beschrijft debehandeling diedeUnie terzake toekent
aan natuurlijke personen enrechtspersonen van een LGO
“kent deUnie aan natuurlijke personen enrechtspersonen van deLGO een behandeling toe
die niet minder gunstigisdan demeest gunstige behandeling die van toepassingisop
soortgelijke natuurlijke personen enrechtspersonen van derde landen waarmee deUnie een
overeenkomst inzake economische integratie sluit ofheeft gesloten
Volgens artikel 50 letter bwordt voor het betreffende hoofdstuk van het besluit echter
verstaan onder rechtspersoon van een LGO
“een rechtspersoon van een LGO dievolgens het indatLGO geldende recht isopgericht en
diehaar hoofdkantoor haar centrale administratie ofhaar belangrijkste vestiging ophet
grondgebied van datLGO heeft Wanneer dierechtspersoon alleen haar hoofdkantoor of
centrale adm inistratie ophetgrondgebied van een LGO heeft wordt zijniet beschouwd als
rechtspersoon van een LGO tenzij zijactiviteiten verricht waaruit een reele enduurzame
band met deeconomie van dat land ofgebied blijkt’’
Om een beroep tekunnen doen opderechten diegeboden worden door artikel 51van het
LGO besluit moet eenvennootschap dus een economische band hebben met haar LGO van
oprichting Wanneer devennootschap slechts isopgericht naar het recht van deLGO maar
elders isgevestigd zoals inonderhavigecasus hetgevaliskan geen beroep worden
gedaan opartikel 51van hetLGO besluit
Opwelke behandeling een wel kwalificerende rechtspersoon rechten kan doen gelden komt
overigensinartikel 51 1avan het besluit niet direct helder naar voren Het isdevraag ofdie
rechtspersoon indien onder een overeenkomst inzake economische integratie ook hetEER
verdrag moet worden begrepen zich kan beroepen opdevrijheid van vestiging Omdat hier
niet aan artikel 51wordt toegekomen blijft deze vraag hier onbesproken
Conclusie bijadb
Een vennootschap opgericht naar het recht van deBritse Maagdeneilandenisgeen
vennootschap van een EU lidstaat enkan daarom geen beroep doen opdevrijheid van
vestiging van artikel 49VWEU
Omdat devennootschap niet isgevestigd opcqgeen economische band heeft met de
Britse Maagdeneilanden kan zijgeen rechten ontlenen aan artikel 51van hetLGO besluit
Aan hetoprichtingsvereiste van zowel aals bwordt dus niet voldaan
Conclusie
XLtd opgericht naar het recht van deBritse Maagdeneilanden enfeitelijk gevestigdin
Nederland kan niet gevoegd worden alsdochtermaatschappijineen FE
Zijvoldoet niet aan devoorwaarde van artikel 15 lid3letter ewetVpb
1951437 00025

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: