AI-samenvatting
Het begrip "bij de aangifte" verwijst naar de mogelijkheid voor belastingplichtigen om keuzes te maken of verzoeken in te dienen tot het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Dit betekent dat belastingplichtigen hun keuze kunnen herzien of een verzoek kunnen indienen, zolang de aanslag nog niet definitief is. In gevallen waar de wet expliciet vereist dat iets "bij de aangifte" moet gebeuren, is dit duidelijk vastgelegd in de wet of de parlementaire geschiedenis. Jurisprudentie bevestigt dat verzoeken die na het indienen van de aangifte worden gedaan, maar vóór de onherroepelijkheid van de aanslag, als tijdig worden beschouwd.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Het begrip "bij de aangifte" verwijst naar de mogelijkheid voor belastingplichtigen om keuzes te maken of verzoeken in te dienen tot het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Dit betekent dat belastingplichtigen hun keuze kunnen herzien of een verzoek kunnen indienen, zolang de aanslag nog niet definitief is. In gevallen waar de wet expliciet vereist dat iets "bij de aangifte" moet gebeuren, is dit duidelijk vastgelegd in de wet of de parlementaire geschiedenis. Jurisprudentie bevestigt dat verzoeken die na het indienen van de aangifte worden gedaan, maar vóór de onherroepelijkheid van de aanslag, als tijdig worden beschouwd.
**Documenttitel: 1950473**
**05-206-0011 Bij de aangifte**
**Vraag:**
In een aantal fiscale bepalingen wordt de mogelijkheid geboden om bij de aangifte een keuze te maken of een verzoek te doen. Wat moet precies worden verstaan onder het begrip “bij de aangifte”? Met andere woorden, hoe rekbaar is dat begrip? Betekent het dat verzoeken en keuzes uitsluitend bij het feitelijk indienen van een aangifte kunnen worden gedaan/gemaakt, of bestaat de mogelijkheid om na het doen van aangifte alsnog een verzoek in te dienen of een keuze te maken danwel op een in een aangifte gemaakte keuze terug te komen?
**Antwoord:**
Bij keuzes die gemaakt worden bij de aangifte of verzoeken die moeten worden gedaan bij de aangifte geldt als algemeen uitgangspunt dat tot aan het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat, belastingplichtigen op hun keuze kunnen terugkomen c.q. alsnog een verzoek kunnen indienen. In gevallen waarin het begrip “bij de aangifte” letterlijk moet worden geïnterpreteerd, heeft de wetgever dat uitdrukkelijk in de wet of in de daaraan ten grondslag liggende parlementaire behandeling aangegeven.
**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
Voor de beantwoording van bovengenoemde vraag is onderzoek gedaan in de ter zake geldende jurisprudentie en in de parlementaire geschiedenis van wetsartikelen waarin het begrip “bij de aangifte” is opgenomen. Hierna volgen de resultaten van dat onderzoek:
**Hof Den Haag, 19-9-1990, nr. 2750/88 (VN1991/341 pt. 8)**
Voor voetoverheveling ex art. 53a, Wet IB 1964 moest destijds bij de aangifte een gezamenlijk verzoek worden ingediend. Het hof besliste als volgt:
“Een redelijke wetstoepassing brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat in een geval waarin ten tijde van het doen van aangifte het inkomen van de partner ten aanzien van wie voetoverheveling wordt verzocht nog niet bekend is, niet onverkort dient te worden vastgehouden aan de wettelijke eis dat het verzoek bij de aangifte wordt gedaan onder opgave van het inkomen van de andere belastingplichtige” (r.o. 6.7).
“Feitelijk staat vast dat in het onderhavige geval een gezamenlijk schriftelijk verzoek om voetoverheveling pas is gedaan in het kader van een tussen het hof en partijen gevoerde briefwisseling op de voet van art. 14 Warb. Dat acht het hof een veel te laat tijdstip. Het gezamenlijke schriftelijke verzoek had in ieder geval reeds kunnen worden gedaan bij het indienen van een bezwaarschrift tegen de onderwerpelijke aangifte” (r.o. 6.9).
**Hof Amsterdam 10-9-1999, nr. 98/1497 (VN2000/2.5)**
Verzoek om een beschikking vaststelling verliezen. Het hof besliste als volgt:
“Overigens geldt in zijn algemeenheid dat de belastingdienst een verzoek tot vaststelling van de verliezen, dat als bijlage bij het bezwaar tegen de aanslag vpb 1995 wordt gedaan, in behandeling neemt als tijdig verzoek. Dit geldt ongeacht de vraag of sprake is van een ambtshalve vastgestelde aanslag. Aan een na het onherroepelijk worden van de aanslag ingediend verzoek om vaststelling van ondernemingsverliezen wordt niet tegemoetgekomen” (r.o. 5.4). “Het hof legt het onder 5.4 aangehaalde begunstigende beleid in die zin uit dat een verzoek als bedoeld in artikel IV, lid 2, van de Wet nog als tijdig ingediend wordt beschouwd, indien dat verzoek is gedaan voordat de aanslag onherroepelijk is geworden” (r.o. 5.5).
**Parlementaire geschiedenis bij artikel 1:3, vierde lid, Wet IB 2001:**
“Bij keuzes die gemaakt worden bij de aangifte geldt als algemeen uitgangspunt dat tot aan het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat, belastingplichtigen op hun keuze kunnen terugkomen. Zoals is aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag is er gelet op het karakter van de keuze voor het partnerschap aanleiding om de mogelijkheid om terug te kunnen komen op de bij de aangifte gemaakte keuze uit te sluiten. Dit wordt vastgelegd in het voorgestelde vierde lid.” ((Eerste) NvW, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 18, blz. 25). Zie ook: NV, kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 111, voor een zelfde standpunt.
Geef een reactie