1950033

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of er sprake is van een staking van de overgenomen onderneming. De conclusie is dat er geen ruimte is voor een compromis en dat een gedeeltelijk liquidatieverlies niet mogelijk is.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1950033**

**Memo Casus DVS 15025**
**Liquidatieverlies is sprake van gedeeltelijke voortzetting**
**Aan Kennisgroep deelnemingsvrijstelling**
**Van**
**Datum: 3 november 2015**
**Kenmerk: 15025**
**Kopieer aan**

**Inleiding**
Beschrijving van de casus
Het gaat in deze casus om de toepassing van artikel 13d lid onderdeel Wet Vpb 69 in samenhang met artikel 13e lid, in het bijzonder de vraag of in casus sprake is van een staking van de overgenomen onderneming. Belastingplichtige heeft tot [GEANONIMISEERD] een deelneming gehad in een in Duitsland gevestigde GmbH [GEANONIMISEERD].

[jg] besloten de activiteiten van deze GmbH te staken in die zin dat de activiteiten zijn voortgezet door belastingplichtige, waarna de GmbH in [GEANONIMISEERD] is geliquideerd. Naar ik begrepen heb, is het liquidatieverlies reeds vastgesteld en is niet meer in geding. De mogelijke vervolgvraag bij een negatieve beantwoording van de eerste vraag is of bij wijze van compromis een gedeelte van het liquidatieverlies kan worden gegeven. Zie voor een uitgebreide beschrijving van de casus het memo van de vragensteller. Samengevat zie ik de casus als volgt: Op het moment van staking van de Duitse 100% deelneming [GEANONIMISEERD] betroffen haar activiteiten alsmede [GEANONIMISEERD] aan ongelieerde. In de verkoopprijzen zit een royalty opslag besloten die [GEANONIMISEERD] wordt doorbetaald aan de ongelieerde octrooihouder. Na de liquidatie van [GEANONIMISEERD] gaat onze belastingplichtige door met de activiteiten die voorheen door [GEANONIMISEERD] werden uitgeoefend. Het liquidatieverlies is inmiddels vastgesteld maar wordt op grond van artikel 13d lid onderdeel Wet Vpb 69 nog niet in aanmerking genomen.

Belastingplichtige de [GEANONIMISEERD] activiteit aan de afnemers extern onderbrengen. Met personeel dat zich bezighield met deze activiteit gaat ook in dienst bij deze externe partij. In de [GEANONIMISEERD] overeenkomst zijn aanvullende bepalingen opgenomen over de samenwerking tussen belastingplichtige en de [GEANONIMISEERD] (zie casusbeschrijving). Belastingplichtige stelt nu dat door het extern brengen van de [GEANONIMISEERD] functie zij de voormalige onderneming van [GEANONIMISEERD] geheel heeft gestaakt. Zij haalt hierbij aan dat er in het concern twee marges worden behaald en de [GEANONIMISEERD] zijn de marge die nu dus geheel is geoutsourcet.

**Preadvies**
De eerste rechtsvraag betreft de toepassing van artikel 13d lid in het bijzonder het ‘voorzettingsverbod’. De casus is in hoge mate feitelijk en betreft in mindere mate een rechtsvraag. Gelet op de functionele analyse die de vragensteller heeft aangedragen, lijkt het mij dat de onderneming die voorheen door de geliquideerde vennootschap werd gedreven nog niet geheel is gestaakt. Door belastingplichtige wordt steeds een meer dan bijkomstige in- en verkoopfunctie voortgezet. Ook is nog geen definitief afscheid genomen van de [GEANONIMISEERD] functie gelet op de complementaire werkzaamheden die belastingplichtige hierbij nog steeds verricht.

De tweede vraag betreft of de kennisgroep wellicht ruimte ziet voor een compromis. Kennelijk wordt gedoeld op een pro rata toepassing van onderdeel van artikel 13d lid Wet Vpb ’69. Gelet op de duidelijkheid van de wettekst in deze beantwoord ik ook deze vraag ontkennend.

**Beschouwing**
[GEANONIMISEERD]

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *