1950028

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de fiscale gevolgen van de verkoop van aandelen in NBV aan een derde partij. De ruling concludeert dat artikel 13c VPB van toepassing is, maar dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op de gerealiseerde verkoopwinst.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1950028**

**Feiten**
BV BV BV met VI vormen een FE VPB. BV verkoopt de aandelen BV. Met de VI zijn verliezen geleden. Op grond van artikel 14 BFE is er bij fictie dus eerst een ontvoeging van BV en vervolgens een verkoop van de aandelen BV. Blijkens de casus zijn de aandelen BV verkocht aan een derde, een niet verbonden lichaam.

**Tot stand komen van de claim**
De deelneming BV dreef geen VI. Lid vindt dus geen toepassing voor BV; de deelneming is immers slechts het directe belang. BV dreef echter wel een buitenlandse onderneming, dus ontstaat er inderdaad wel een 13c VPB claim bij BV voor de aandelen in BV, maar dan op grond van artikel 13c lid VPB. Voor BV bestaat er echter ook een 13c VPB claim voor de aandelen in BV omdat BV wel voldoet aan de hoofdregel 13c lid VPB. Kortom, er ontstaat op twee niveaus een claim.

**Gevolgen verkoop van de aandelen BV aan een derde voor de toepassing van art 13c**
Art 13c lid is niet van toepassing op de verkoop van door aangezien aan een derde partij wordt verkocht. Echter, dit betekent slechts dat niet in één keer over de volledige art 13c inhaaldaim te worden afgerekend. Dit betekent echter niet, zoals de adviseur stelt, dat art 13c in zijn geheel niet meer van toepassing is. Zoals reeds eerder aangegeven en nu nogmaals bevestigd geldt ten aanzien van dat artikel 13c van toepassing is op grond van art 13c lid juncto art 13c lid. Het voorgaande betekent dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op de verkoopwinst behaald met de verkoop van de aandelen in aan de derde. Na de verkoop van heeft geen art 13c inhaaldaim meer. Zie voor de gevolgen voor onder [GEANONIMISEERD] die buiten verzoek.

Na de verkoop van inci blijft art 13c van toepassing op het belang dat heeft in en vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing op positieve voordelen uit hoofde van de deelneming in tot het bedrag van de inhaaldaim. De adviseur kan namens indien de transacties plaatsvinden een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule indienen met betrekking tot art 13c. Hoe dit feitelijk uitpakt is een kwestie van een goede specificatie omtrent de herkomst van de verliezen aan te leveren door de adviseur bij zijn verzoek om toepassing van de hardheidsclausule.

Ten aanzien van zou art 35 BVDD en kan mogelijk een beroep worden gedaan op Besluit samenloop art 35 BVDB en 20a IFZ 2002 357M. Dit besluit lijkt te zijn vervallen; nu is art 33b Wet Vpb van toepassing. Echter, daar wordt art 20a Wet Vpb niet in genoemd. Dat is wel vreemd, maar als art 33b niet geldt, zou dus ook hiervoor een beroep op hardheidsclausule mogelijk moeten zijn. Net als bij is de wijze waarop dit feitelijk uitpakt afhankelijk van het aanleveren van een goede specificatie omtrent de herkomst van de verliezen.

Ik ga ervan uit dat ik je voldoende heb geïnformeerd. Mocht je nog vragen hebben, dan kun je vanzelfsprekend contact met me opnemen.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *