1921521

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt geconcludeerd dat de winstdelende lening van de heer X niet kwalificeert als een aanmerkelijk belang. Dit betekent dat de lening niet onder de voorwaarden van deelnemerschapsleningen valt, wat gevolgen heeft voor de belastingheffing.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

Per 31 juli 2019 heet de volgende casus ingediend:

**Casus**
De heer heeft een 100% belang in BV en ruilt deze in tegen een 50% winstdelende lening aan BV.

**Vraag**
Kwalificeert de winstdelende lening als een aanmerkelijk belang?

**Concept antwoord**
De condities van de lening doen erg denken aan de deelnemerschapslening die we uit de Vpb kennen. In BNB 1988/217 besliste de HR dat de civielrechtelijke vorm beslissend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van kapitaal of een lening. Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen: schijnlening, deelnemerschapslening en bodemloze put lening.

Van een deelnemerschapslening is sprake indien de lening wordt verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deelheeft in de onderneming van de schuldenaar. In BNB 1988/208 geeft de HR vervolgens aan dat hiervan slechts sprake is wanneer aan drie voorwaarden wordt voldaan:
1. De vergoeding voor de geldverstrekking is afhankelijk van de winst.
2. De schuld is achtergesteld bij alle concurrente crediteuren.
3. De schuld heeft geen vaste looptijd, doch is slechts opeisbaar bij faillissement, surseance van betaling of liquidatie.

In BNB 2006/82 oordeelt de HR dat een looptijd van een lening van meer dan 50 jaar (was het een looptijd van 95 jaar) zo lang is dat hieraan zelfstandige betekenis moet worden ontzegd. Bij een looptijd van meer dan 50 jaar wordt aangenomen dat deze lening geen vaste looptijd heeft. Hier kiest men voor een looptijd van exact 50 jaar; dat kan geen toeval zijn. Men probeert zo van de kwalificatie deelnemerschapslening weg te blijven, aangenomen dat een dergelijke kwalificatie ook in AB-verhoudingen mogelijk is.

**Winstbewijs**
Wat een winstbewijs precies is, heeft de wetgever voor zover mij bekend niet omschreven. In Boek BW komt dit begrip ook niet voor. Van Schilfgaarde van de BV en de NV omschrijft dit als verhandelbare bewijzen die recht geven op een uitkering uit de winst, maar geen aandeel in het kapitaal vertegenwoordigen. Mijn indruk is dat een winstdelende lening hier niet onder valt.

**Genotsrechten**
Met dit begrip wordt primair gedoeld op een vruchtgebruik op aandelen. De wetgever heeft hiermee een lek willen dichten dat de HR onder de Wet IB 1964 had gecreëerd of geconstateerd. Bij verkoop van aandelen waarop een vruchtgebruik gevestigd was, kon alleen over de blote-eigendom waarde AB-heffing plaatsvinden. Dat is nu anders omdat een vruchtgebruik zelfstandig een AB kan vormen. Of een winstdelende lening ook onder genotsrechten valt, is niet duidelijk.

**Buiten verzoek**
De verkoop door de heer X van zijn aandelen zal niet tot substantiële AB-heffing leiden. Het zal min of meer gelijk zijn aan VP. Zijn vordering zit daar in box 1 of box 2. Het zal van de winstgevendheid van de onderneming afhangen wat het voordeligste is, denk ik. Nadeel van Box 2 voor belastingplichtige is dat hij heffing niet kan uitstellen, althans zolang hij de vordering in privé houdt. Hij kan altijd nog in een BV inbrengen.

**GEACCEPTEERD ANTWOORD**
Belreft 19 003 0045 kwalificeert een winstdelende lening als een AB.

14 oktober 2019
Tijdens de vergadering van 23 september 2019 is het volgende standpunt ingenomen: Het antwoord op deze casus is dat geen sprake is van AB, gelijk aan concept antwoord.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *