1891202

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de bezitseis voor de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in het geval van een tweetrapsmaking. Het besluit verduidelijkt dat de beoordeling van het bezitsvereiste moet plaatsvinden op het moment van overlijden van de insteller.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1891202**

**BOR. Tweetrapsmaking en bezitsvereiste. KGSW 17.0015**

**Vraag**
Hoe werkt de bezitseis voor de BOR wanneer ondernemingsvermogen vererft op grond van een tweetrapsmaking, op het moment dat de verwachters het vermogen verkrijgen van de bezwaarde (vermogensovergang tweede trap)?

**Casusomschrijving**
Vader en moeder zijn in 2012 met beide zoons een maatschap aangegaan. Vader overlijdt in 2016. In zijn testament is het ondernemingsvermogen gelegateerd aan moeder. Wanneer zij dit legaat niet aanvaardt, komt het toe aan de kinderen. Moeder is benoemd tot enig erfgenaam. Aan de erfstelling is een tweetrapsmaking verbonden. De moeder is hierbij als bezwaarde en de zoons als verwachter aangemerkt.

**Uitwerking casus**
– Wanneer het legaat niet wordt aanvaard, valt het ondernemingsvermogen in de nalatenschap. Moeder is benoemd tot enig erfgenaam. Aan de erfstelling is een tweetrapsmaking verbonden. Alles wat moeder van de nalatenschap onverteerd zal nalaten, valt aan de kinderen voor gelijke delen ten deel. Moeder is verkrijger onder de onbindende voorwaarde dat op het moment van (kort gezegd) haar overlijden de verwachters bestaan. De verwachters (zoons) zijn verkrijgers onder dezelfde opschortende voorwaarde.
– De vraag gaat over toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling SW op het moment van het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde, namelijk bij het overlijden van moeder.

**Antwoord**
Wanneer ondernemingsvermogen vererft op grond van een tweetrapsmaking en de verwachters het vermogen van de bezwaarde verkrijgen, dient voor het bezitsvereiste aangesloten te worden bij het (tijdstip van) overlijden van de insteller (erflater). Voor het bepalen van de aard en omvang van de verkrijging dient aangesloten te worden bij het tijdstip van overlijden van de bezwaarde. Indien de insteller gedurende één jaar de door de verwachter geërfde onderneming heeft gedreven, is voldaan aan de vereisten van de BOR SW.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *