AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de gevolgen van een fusie op de fiscale eenheid. De ruling concludeert dat de fiscale eenheid verbreekt door de fusie en dat er geen mogelijkheid is voor een aansluitende fiscale eenheid indien niet binnen drie maanden een verzoek is ingediend.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
**Beantwoording vraag kennisgroep Fusies en Fiscale Eenheid**
**Nummer vraag:** 21320007
**Datum:** 15 april 2021
**Verkorte omschrijving vraag**
**Casus**
Een bestaande fiscale eenheid bestaat uit de aangewezen moedermaatschappij [GEANONIMISEERD] gevestigd in Nederland en een [GEANONIMISEERD] tal in Nederland gevestigde dochter- en kleindochtermaatschappijen. Daarnaast maakt een Nederlandse zustermaatschappij deel uit van de fiscale eenheid. De aandelen van de moeder- en zustermaatschappij worden gehouden door een in [GEANONIMISEERD] gevestigde topmaatschappij [GEANONIMISEERD]. Op [GEANONIMISEERD] juridisch gefuseerd met haar 100% moedermaatschappij [GEANONIMISEERD], eveneens gevestigd in [GEANONIMISEERD].
**Vragen**
1. Verbreekt de fiscale eenheid als gevolg van de fusie?
2. Zo ja, ten aanzien van welke maatschappijen verbreekt de fiscale eenheid?
3. Kan alsnog een aansluitende fiscale eenheid tot stand komen en de toepassing van artikel 41 BFE worden goedgekeurd als er binnen drie maanden na de fusie geen verzoek tot voeging is gedaan?
**Antwoord**
De fiscale eenheid verbreekt als gevolg van de fusie van de topmaatschappij in haar aandeelhouder. De fiscale eenheid verbreekt ten aanzien van alle maatschappijen. Nee, er kan geen geslaagd beroep worden gedaan op de faciliteit van artikel 41 van het Besluit Fiscale Eenheid (hierna BFE) als er niet binnen drie maanden na de fusie een verzoek om een aansluitende fiscale eenheid is gedaan.
**Onderbouwing**
Ten aanzien van het antwoord op vraag 1: De vraag of de fusie van de topmaatschappij in haar 100% aandeelhouder leidt tot verbreking van de fiscale eenheid wordt beantwoord in onderdeel 13 van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 10 juni 2020 nr. 2020 06221 (hierna Besluit). In dit onderdeel van het Besluit bevestigt de staatssecretaris dat in het geval een topmaatschappij juridisch fuseert met haar aandeelhouder, de zuster fiscale eenheid eindigt op grond van artikel 15 tiende lid onderdeel Wet Vpb. Dit artikel luidt als volgt: de fiscale eenheid eindigt indien bij een fiscale eenheid met een topmaatschappij een andere topmaatschappij in de plaats komt van die topmaatschappij of de topmaatschappij belastingplichtig wordt.
Het argument dat er geen sprake is van in de plaats treden, volgt de kennisgroep niet. De staatssecretaris heeft in het Besluit bevestigd dat de zuster fiscale eenheid verbreekt op grond van artikel 15 tiende lid onderdeel Wet Vpb. Door de bevestiging van deze verbrekingsgrond is er dus sprake van in de plaats treden. Dat er bij de juridische fusie geen sprake is van overdracht van de aandelen van de moedermaatschappij is daarbij niet relevant. De topmaatschappij [GEANONIMISEERD] houdt immers als verdwijnende entiteit op met bestaan en kan daardoor als rechtssubject geen topmaatschappij meer zijn in de zin van artikel 15 zesde lid Wet Vpb. Door de fusie wordt [GEANONIMISEERD] de verkrijgende entiteit als rechtssubject de nieuwe topmaatschappij van de zuster fiscale eenheid. Hiermee wordt voldaan aan de verbrekingsgrond van artikel 15 tiende lid onderdeel Wet Vpb.
Ook het argument dat er geen sprake is van in de plaats treden op grond van de bedoeling van de wetgever volgt de kennisgroep niet. De adviseur verwijst naar een passage in de parlementaire geschiedenis, waarin wordt aangegeven dat de fiscale eenheid niet verbreekt indien de aandelen van een topmaatschappij worden verkocht. Die situatie is volgens de kennisgroep niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie. Er is immers in de onderhavige situatie geen sprake van de verkoop van de aandelen van de topmaatschappij, maar van een fusie waarbij de topmaatschappij als verdwijnende entiteit ophoudt te bestaan en er een nieuwe topmaatschappij komt.
Tevens zou in een zuiver binnenlandse situatie waarbij de moedermaatschappij van de fiscale eenheid als verdwijnende entiteit fuseert met haar 100% Nederlandse aandeelhouder, de fusie leiden tot een verbreking van de fiscale eenheid.
De adviseur stelt subsidiair dat in het geval de aandeelhouder van de topmaatschappij de verkrijgende vennootschap bij de fusie in Nederland was gevestigd en als moedermaatschappij onderdeel uitmaakte van de fiscale eenheid, de fusie niet zou hebben geleid tot ontbinding van de fiscale eenheid met een beroep op artikel 18 BFE. De kennisgroep is van mening dat deze vergelijking niet de juiste vergelijking is. In de wetgeving betreffende de zuster- en Papillon fiscale eenheid is er bewust voor gekozen om qua vergelijkbaarheid niet verder te kijken dan de topmaatschappij. De topmaatschappij is de eerste vennootschap die voldoet aan de bezitseis.
Ten aanzien van het antwoord op vraag 3: De letterlijke tekst van artikel 15 tiende lid onderdeel Wet Vpb is duidelijk: de fiscale eenheid eindigt. Er wordt op grond van de tekst geen onderscheid gemaakt tussen de maatschappijen die een reguliere fiscale eenheid hadden kunnen vormen en de maatschappijen die enkel een zuster fiscale eenheid kunnen vormen. Zie ook de beschouwing op het antwoord op vraag 2.
In het Besluit heeft de staatssecretaris onder voorwaarden goedgekeurd dat in gevallen als het onderhavige een beroep op artikel 41 BFE kan worden gedaan. Voor een geslaagd beroep op artikel 41 BFE moet aan alle voorwaarden van artikel 41 BFE worden voldaan. Een van de voorwaarden is dat er direct aansluitend aan de verbreking een nieuwe fiscale eenheid tot stand komt. Een verzoek om een nieuwe fiscale eenheid dient binnen drie maanden na het gewenste voegingstijdstip te zijn ingediend (artikel 15 lid Wet Vpb). Als een adviseur of belastingplichtige pas op een later moment als gevolg van correspondentie met de Belastingdienst duidelijk wordt dat de fiscale eenheid enige tijd geleden is verbroken, dan zorgt dit er niet voor dat vanaf dan nog binnen drie maanden een verzoek voor een aansluitende fiscale eenheid kan worden ingediend.
Geef een reactie