1804120

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of de deelnemingsvrijstelling kan worden toegepast op een private equitystructuur met een besloten fonds voor gemene rekening. De Kennisgroep concludeert dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat deze structuur wezenlijk afwijkt van vergelijkbare structuren, waardoor de deelnemingsvrijstelling van toepassing is.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling
Datum: 21 april 2021
Ons kenmerk: 21 023 0003

**Betreft:** Vraag aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling

Beste [GEANONIMISEERD],

Je hebt een vraag gesteld aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling. In de bijlage tref je het antwoord en de beschouwing aan op deze vraag. Als je over het antwoord of de beschouwing nog vragen hebt, aarzel dan niet om contact op te nemen. Mijn contactgegevens staan bovenaan deze brief.

Met vriendelijke groet,
[GEANONIMISEERD]

**Aanleiding**
[GEANONIMISEERD] en [GEANONIMISEERD] participeren via een besloten fonds voor gemene rekening (FGR) in [GEANONIMISEERD].

**Vraag**
Aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling is de vraag voorgelegd of de deelnemingsvrijstelling kan worden toegepast op de private equitystructuur (PE-structuur) waarin [GEANONIMISEERD] en [GEANONIMISEERD] via een besloten en daarmee transparante FGR participeren in [GEANONIMISEERD]. Deze structuur vertoont voldoende gelijkenis met vergelijkbare PE-structuren waarvoor door het Behandelteam IFZ in de regel een ATR wordt afgegeven en de deelnemingsvrijstelling wordt toegepast, maar waarbij in plaats van een besloten FGR een besloten commanditaire vennootschap (CV) wordt gebruikt.

**Antwoord**
De Kennisgroep is van mening dat in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat een PE-structuur met een besloten FGR op wezenlijke punten afwijkt van een overigens vergelijkbare PE-structuur met een besloten CV. De deelnemingsvrijstelling is dan op overeenkomstige wijze van toepassing. Dit neemt niet weg dat voor elke afzonderlijke casus met een PE-structuur op basis van de eigen feiten en omstandigheden zal moeten worden beoordeeld of deze past in de staande ATR-praktijk.

**Casus**
**Feiten en omstandigheden**
Bij de beantwoording van de vraag is de Kennisgroep van de volgende gestileerde feiten en omstandigheden uitgegaan: [GEANONIMISEERD].

**Beschouwing**
ATR-praktijk Behandelteam IFZ
De Kennisgroep heeft navraag gedaan bij het Behandelteam IFZ. Dit leert dat het bij dit behandelteam staande praktijk is dat ATR's worden afgegeven op vergelijkbare PE-structuren, met dit verschil dat het daarbij gaat om structuren via een besloten CV in plaats van via een besloten FGR.

Het PE-fonds vraagt bij het Behandelteam IFZ zekerheid vooraf voor de buitenlandse commanditaire vennoten. Dit zijn de buitenlandse investeerders. Een buitenlandse vennootschap kan namelijk op grond van artikel 17a onderdeel Wet Vpb 1969 als buitenlands belastingplichtige worden aangemerkt als deze vennootschap deelneemt in een in Nederland gedreven onderneming. Het PE-fonds kwalificeert als een dergelijke onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten van het PE-fonds worden geacht een onderneming te drijven middels een vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 17 derde lid onderdeeltje jo artikel 17a onderdeel Wet Vpb 1969.

Bij deze PE-structuren investeren de investeerders via een Nederlands PE-fonds. Dit fonds is opgezet als een besloten CV opgericht naar Nederlands recht en voor fiscale doeleinden dus transparant. Het PE-fonds houdt haar investeringen via een naar Nederlands recht opgerichte coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid. Deze coöperatie houdt op haar beurt de belangen in de diverse portfoliovennootschappen. Het fonds kwalificeert als een PE-onderneming gedreven in Nederland.

Een Nederlandse BV oefent het management van het PE-fonds uit. Het PE-fonds betaalt een managementvergoeding van het geïnvesteerde ongerealiseerde kapitaal. Bij de management BV valt deze management fee geheel in de Nederlandse belastbare grondslag en wordt niet aan de coöperatie doorbelast.

Een andere Nederlandse BV is de beherend vennoot van de CV. De CV zelf heeft geen rechtspersoonlijkheid en daarom houdt de beherend vennoot de lidmaatschapsrechten namens de CV. In het ledenregister van de coöperatie staat dan ook de beherend vennoot als lid van de coöperatie genoemd en niet de investeerders. Deze beherend vennoot houdt hierdoor de juridische eigendom van het lidmaatschap van de coöperatie voor rekening en risico van de participanten in het fonds.

Het Behandelteam IFZ bevestigt in de ATR bij deze PE-structuren dat de pro-rata belangen die de niet in Nederland gevestigde leden van de coöperatie via de CV houden, niet als belegging in de zin van artikel 13 negende en tiende lid Wet Vpb 1969 worden gehouden.

Gezien de tekst van de ATR worden de buitenlandse investeerders dus gezien als leden van de coöperatie. Zij zijn volgens de ATR lid omdat zij economisch gerechtigd zijn tot een deel van een lidmaatschapsrecht.

**Rapport Private equity en fiscaliteit**
Dezelfde benadering wordt ook uitgedragen in het rapport PE en fiscaliteit. Dit rapport is via de externe site van de Belastingdienst te raadplegen. Onderdeel [GEANONIMISEERD] geeft een beschrijving van de werking van PE-fondsen in zijn algemeenheid en onderdeel [GEANONIMISEERD] gaat meer specifiek in op Nederlandse PE-equityfondsen.

**Conclusie**
Gelet op de staande ATR-praktijk, het PE-rapport en de overeenkomstige positionering en vormgeving van een CV of een FGR in een PE-structuur, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat een PE-structuur met een besloten FGR op wezenlijke punten afwijkt van een overigens vergelijkbare PE-structuur met een besloten CV.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *