1774479

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt bevestigd dat een direct opeisbare en renteloze vergoedingsvordering tussen echtgenoten kan leiden tot toepassing van artikel 15 van de Successiewet. Dit betekent dat dergelijke vorderingen niet als een schenking worden aangemerkt, maar als een geldlening.

Kennisgroepstandpunt

Kenmerk 1
Belastingdienst
Kennisgroep Successiewet
Telefoonnummer
Datum
November 2021
Behandelaar
Uw kenmerk
Kenmerk
KGSW 21.0022

Betreft
Successiewet. Fictie art. 15 direct opeisbare renteloze vergoeding tussen echtgenoten

Geachte mevrouw/heer,
In reactie op uw vraag ontvangt u hierbij het antwoord namens de kennisgroep Successiewet.

Vraag
Kan een direct opeisbare en renteloze vergoedingsvordering die voortvloeit uit artikel 1:87 BW, leiden tot toepassing van artikel 15 SWV?

Antwoord
Ja, zo’n vergoedingsvordering kan ontstaan doordat de ene echtgenoot privévermogen laat toekomen aan de andere echtgenoot. Deze vordering zorgt ervoor dat geen sprake is van een schenking. De hierdoor ontstane vordering is gelijk te stellen aan een geldlening als bedoeld in artikel 15 SW, omdat het “in een geldsom uit te drukken vordering” is, zie Kamerstukken II 2008-2009, 31930, nr. 9 blz 42 e.v. Dat geen sprake is van “een som geld te verstrekken” zoals bedoeld in artikel 7:129, eerste lid, BW is voor de toepassing van artikel 15 SW niet relevant.

Toelichting
Artikel 15 is een fictie, zodat de situatie niet meer getoetst wordt aan artikel 1 SW. Kort gezegd is er een schenking indien sprake is van een renteloze of laagrentende geldvordering tussen natuurlijke personen.

In de parlementaire geschiedenis is hierover opgemerkt:
“Volledigheidshalve geef ik aan dat onder een geldlening alle in een geldsom uitgedrukte vorderingen van een schuldeiser wordt verstaan. Omdat artikel 15 een fictiebepaling is, vindt geen beoordeling plaats of is voldaan is aan het civiele giftbegrip.”

“Bij een verdeling van een huwelijksgemeenschap kan wel overeen worden gekomen dat een overbedelingsschuld bijvoorbeeld renteloos en direct opeisbaar is. In zo’n geval en in soortgelijke gevallen valt deze schuld onder de werking van artikel 15.”
Kamerstukken II 2008-2009, 31930, nr. 9 biz 42e v.

En
“Zij geven aan dat in huwelijkse voorwaarden en in samenlevingscontracten vaak sprake is van renteloze leningen tussen de echtgenoten. Als dergelijke renteloze leningen pas opeisbaar zijn bij het overlijden van één van de partners, of bij het beëindigen van het huwelijk of de samenleving, is artikel 15 daarop niet van toepassing. In die gevallen beoordeelt de inspecteur of gezien de renteloosheid van de vordering er sprake is van een schenking naar het civiele recht (artikel 1 Successiewet 1956)” Kamerstukken II 2009-2010, 31930, nr. 13, blz 22-23

Er bestaat een verschil tussen de vordering op grond van artikel 1:87 (die meteen geldt) en die op grond van een niet nageleefd verrekenbeding uit huwelijkse voorwaarden. Over die laatste situatie merkt het Fictiebesluit het volgende op:
Artikel 15 van de Successiewet bevat een fictiebepaling voor de geldlening die direct opeisbaar is of dat op enig moment wordt en waarover geen rente of een rente lager dan het percentage, bedoeld in artikel 21, veertiende lid, van de Successiewet, is afgesproken. Onder een geldlening wordt verstaan alle in een geldsom uitgedrukte vorderingen van een schuldeiser.

Bij huwelijkse voorwaarden met een zogenoemd Amsterdams verrekenbeding verplichten de echtgenoten zich om na afloop van ieder kalenderjaar het opgespaarde inkomen te verdelen. In de praktijk komt het voor dat dit periodiek verrekenbeding niet wordt nageleefd. Voor zover hierdoor een vordering ontstaat, is dit naar mijn mening geen geldlening als bedoeld in artikel 15 van de Successiewet. Zolang het verrekenbeding niet wordt nageleefd, is immers geen sprake is van een in een geldsom uitgedrukte vordering. Als echter een vordering wordt omgezet in een geldlening, is er wel sprake van een geldlening waarop artikel 15 van de Successiewet van toepassing kan zijn. Beleidsbesluit 18 oktober 2016, BLKB 2016/130M, onderdeel 4

Casus
X en Y zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarden. Echtgenoot X brengt zijn vermogen in een stichting. De helft van de door de stichting hiervoor uitgereikte aandelen krijgt echtgenoot X en de andere helft krijgt echtgenoot Y. Echtgenoot X krijgt hiervoor op grond van artikel 1:87 BW een vergoedingsvordering van zijn echtgenoot Y. In de huwelijkse voorwaarden zijn de echtgenoten overeengekomen dat deze vordering de nominale waarde heeft, dus niet de waardeontwikkeling van het goed (de certificaten) volgt.

De “vergoedingsvordering” van X valt onder de werking van art. 1:87 BW (Boek 1, titel 6 BW). Van het verstrekken van een som geld is geen sprake, maar wel is duidelijk dat X het vorderingsrecht niet uit vrijgevigheid heeft gekregen. De hoofdregel is dat een vergoedingsrecht in de zin van 1:87 BW afhankelijk is van waardeontwikkelingen. Het vergoedingsrecht van 1:87 BW is gekoppeld aan het goed waarin wordt geïnvesteerd. Waardeontwikkelingen hebben daarom invloed op de hoogte van de vergoedingsvordering.

Afwijken van art. 1:87 BW hoeft, blijkens het vierde lid daarvan, dus niet per se bij huwelijkse voorwaarden, maar er mag per gebeurtenis een overeenkomst gesloten worden (zelfs mondeling). In de casus hebben de echtgenoten van art. 1:87 BW gebruik gemaakt, zodat de vordering in een geldsom uit te drukken is. Daarmee is sprake van een situatie door art. 15 SW wordt bestreken.

Wanneer is sprake van een geldlening?
In artikel 7:129, eerste lid, BW is opgenomen dat de overeenkomst van geldlening een kredietovereenkomst is waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Er moet dus sprake zijn van een terugbetalingsverplichting. Op de terugbetalingsverplichting zijn de artikelen 6:111 t/m 6:126 BW van toepassing. Ontbreekt een terugbetalingsverplichting in het geheel, dan is civielrechtelijk (en ook fiscaal) geen sprake van een geldlening. In dat geval kan sprake zijn van een schenking. Als civielrechtelijk sprake is van een geldlening, dan geldt als hoofdregel dat deze kwalificatie ook fiscaal wordt gevolgd.

Gubbels en Kooiman vragen zich af of een vergoedingsrecht uit hoofde van art. 1:87 BW wel als vordering is aan te merken of dat dit alleen een economisch belang is. In de casus speelt dat niet. Er is geen sprake van een louter economisch belang omdat de vordering de nominale waarde behoudt.

In onderdeel 4 van het beleidsbesluit 18 oktober 2016, BLKB 2016/130M zegt de Staatssecretaris dat onder een geldlening in de zin van 15 SW moet worden verstaan een in een geldsom uitgedrukte vordering. Dit is ook tijdens de parlementaire behandeling gezegd. Over het periodiek verrekenbeding zegt de Staatssecretaris dat zolang er niet is verrekend de omvang van de verrekenplicht/recht niet vaststaat en er geen sprake is van een vordering en dus ook niet van een geldlening. Het niet naleven van een verrekenbeding (een “verrekenvordering”) valt onder de werking van Boek 1, titel 8 BW.

Zoals hierboven toegelicht is dit bij een vergoedingsvordering als bedoeld in artikel 1:87 BW anders, omdat deze vordering meteen ontstaat.

Hoogachtend,
namens Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
5.1,2e

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *