AI-samenvatting
In dit bindend advies wordt geconcludeerd dat de verkrijging van een waterbassin, bestaande uit een aarden wal met folie, niet vrijgesteld is van overdrachtsbelasting volgens artikel 15 lid 1 letter q WBR. De kennisgroep herziet haar eerdere standpunt en stelt vast dat het waterbassin niet als cultuurgrond kan worden aangemerkt.
Kennisgroepstandpunt
1774392; Kennisgroep over. ing
| 5.1.2¢
5.1.28 :
Datum
12 januari 2018
Behandeld door
Vraag
17 – 052 – 04
Betreft
Waterbassin en toepassing art. 15-1-q WBR.
Bindend advies.
Geachte 5.1.2e
De kennisgroep heeft in het verleden (KG 09-052-008) het standpunt ingenomen dat de verkrijging van
een waterbassin dat slechts bestaat uit een aarden wal met folie, onder de vrijstelling van artikel 15 lid 1
letter q WBR kan vallen. U vraagt of dit standpunt nog steeds valide is.
Vraag.
Is de verkrijging van een waterbassin dat slechts bestaat uit een aarden wal met folie, vrijgesteld van
overdrachtsbelasting op grond van artikel 15 lid 1 letter q WBR?
Antwoord.
Nee, er is geen sprake van cultuurgrond zoals bedoeld in artikel 15 lid 1 letter q WBR.
Beschouwing.
Het antwoord op de vraag (KG 09-052-008) met betrekking tot het onderdeel waterbassin luidde als
volgt:
De vragensteller heeft verder nog gevraagd of de vrijstelling van toepassing is op een waterbassin. Een
waterbassin wordt als zodanig niet gebruikt voor de teelt van gewassen, maar kan wel als een
aanhorigheid of bestanddeel worden aangemerkt bij landerijen of een kas. In dat geval deelt het
waterbassin in de vrijstelling van de glasopstand waarvan zij een aanhorigheid is. In dit kader merkt J.S.
Rijkels, Belastingen van rechtsverkeer, art. 15, aant. 21.2.2, Deventer: Kluwer 1998, op dat
aanhorigheden, zoals sloten en wallen, daartoe naar zijn mening eveneens kunnen worden gerekend
(Vakstudie WBR, artikel 15, aantekening 18.2.1. Landerijen). Dat een waterbassin als onderdeel van
glasopstand kan worden aangemerkt, blijkt bijvoorbeeld uit “Vraagbaak waardebepaling in het kader van
de wet WOZ”:”218. Vraag: Dient een waterbassin bij bijvoorbeeld een (glas)tuinbouwbedrijf of een
mestbassin bij een veeteeltbedrijf die slechts bestaat uit een aarden wal met landbouwplastic
meegetaxeerd te worden? Antwoord: Ja, dergelijke zaken maken deel uit van het WOZ-object en er is
In uw antwoord datum en kenmerk van deze brief vermelden
00023
Kenmerk 2
17 – 052 – 04
geen sprake van cultuurgrond. Voor de WOZ wordt onderscheid gemaakt tussen cultuurgrond die
bebouwd dan wel onbebouwd is. Met name is relevant de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten
Wet WOZ, artikel 2-1-a: “Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van
ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de
ondergrond vormt van gebouwde eigendommen.” Het antwoord op vraag 218 is duidelijk, het
waterbassin maakt onderdeel uit van de glasopstanden. De invloed van de waarde zal overigens
waarschijnlijk beperkt zijn.”
Na het innemen van dit standpunt is nieuwe jurisprudentie verschenen.
Op 19 september 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan (nr. 13/06088) waarin zij het volgende
overweegt: “Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15, lid 1, letter q Wet BRV, zoals dat
in 2008 luidde, volgt dat onder cultuurgrond wordt verstaan de grond die is bestemd voor veeteelt, akker-
, weide, tuin- en bosbouw, waaronder mede begrepen de ondergrond van glasopstanden (Kamerstukken
1 2005/06, 30 572, nr. 9, p. 17). Naar de uit deze beschrijving af te leiden bedoeling van de wetgever is
een verharde parkeerplaats niet aan te merken als cultuurgrond in zin van de vorige bepaling.
Ook ten aanzien van de ondergrond van de schuur kan de cultuurgrondvrijstelling geen toepassing
vinden. Zoals reeds in het arrest van 25 juni 1997, nr. 29598, BNB 1997/284, is beslist, moeten voor de
toepassing van de cultuurgrondvrijstelling opstallen en ondergrond in de regel als één geheel worden
beschouwd. Met de wijzigingen ingevolge de Wet werken aan winst, die door het Hof worden
aangehaald, is niet beoogd hierin een verandering aan te brengen. Aangezien de stukken van het
geding geen andere conclusie toelaten dan dat de schuur niet een glasopstand is, kan de ondergrond
van de schuur niet delen in de vrijstelling, omdat ook die grond niet is bestemd voor veeteelt, akker-,
weide, tuin- of bosbouw en derhalve niet is aan te merken als cultuurgrond.
De omstandigheid dat de in geding zijnde gedeelten van het perceel bedrijfsmatig ten behoeve van de
landbouw worden geëxploiteerd is voor toepassing van de vrijstelling niet voldoende, aangezien
daarvoor tevens is vereist dat sprake is van cultuurgrond”.
Uit de rechtspraak blijkt dat cultuurgrond grond is die (primair) dient als voedingsbodem voor het telen
van gewassen. In 2015 heeft de kennisgroep een vraag (KG 14-052-007) beantwoord met betrekking tot
containervelden. Daarbij is het standpunt ingenomen dat de ondergrond van containervelden onder glas
wel zijn vrijgesteld, maar de ondergrond van containervelden onder de open hemel niet. De conclusies
die zijn getrokken naar aanleiding van de jurisprudentie dan zijn:
1. Art. 15-1-q WBR is alleen toepasselijk bij de verkrijging van cultuurgrond (grond zonder
opstallen) en bij de ondergrond van glasopstanden.
2. Cultuurgrond dient primair de functie te hebben gewassen te voeden en te doen groeien.
Containervelden voldoen aan deze voorwaarde niet.
3. Ondergrond van glasopstanden daarentegen hoeft deze primaire functie niet te hebben.
Containervelden onder glas zijn dus vrijgesteld.
In eerste instantie moet worden beoordeeld of een waterbassin grond is of grond met een opstal. De
rechtbank Midden-Nederland overweegt in haar uitspraak van 19 december 2013, nrs. UTR 13/5039,
5042 en 5813 (inzake een omgevingsvergunning) het volgende:
“Een bouwwerk is “elke constructie van enig omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. Een aarden wal kan niet als
“bouwwerk” in vorenbedoelde zin worden aangemerkt.”
1774392 00023
1774392Kenmerk 3
17 – 052 – 04
Een waterbassin dat slechts bestaat uit een aarden wal met folie is niet aan te merken als een
glasopstand of andere opstal.
Volgens de Wet WOZ maakt het waterbassin onderdeel uit van het WOZ-object en is er geen sprake van
cultuurgrond. Uit de uitspraak van de HR van 19 september 2014 blijkt dat het voor de beoordeling van
de vrijstelling niet van belang is of er sprake is van een aanhorigheid van een glasopstand. Een
parkeerplaats (aanhorigheid) bij een glasopstand viel volgens deze uitspraak niet onder de vrijstelling.
Dat het waterbassin volgens de Wet WOZ onderdeel uitmaakt van het WOZ-object is ook niet
doorslaggevend. Het waterbassin zelf betreft niet de ondergrond van een glasopstand. Er moet
vervolgens worden beoordeeld of de betreffende grond de primaire functie heeft gewassen te voeden en
te doen groeien. Dat is bij een waterbassin niet het geval.
Conclusie.
De kennisgroep herziet haar standpunt en is van mening dat de vrijstelling van artikel 15-1-q WBR niet
van toepassing is op de verkrijging van een waterbassin dat slechts bestaat uit een aarden wal met folie.
Ik hoop u hiermee naar genoegen geïnformeerd te hebben.
5.1.2e
5.1.2e
00023
Geef een reactie