AI-samenvatting
In dit bindend advies wordt geconcludeerd dat de verbouwingskosten van een pand niet in mindering kunnen worden gebracht op de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting. Dit is omdat de verbouwing niet heeft geleid tot een nieuw vervaardigd gebouw, waardoor de kosten niet voor aftrek in aanmerking komen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**1774361**
Postbus 4486
6401 CZ Heerlen
Telefoon 5126
Datum
26 april 2016
Behandeld door
KG Overdrachtsbelasting
Vraag
16 – 052-03
Betreft
Bindend advies.
Geachte,
U hebt de kennisgroep een vraag gesteld omtrent de toepassing van art. 13 WBR na verbouwing van een pand. Hieronder treft u het antwoord (bindend advies) aan.
**Feiten.**
X verkoopt en levert een bedrijfspand aan projectontwikkelaar P {geen omzetbelasting (OB), wel overdrachtsbelasting – heffing over [GEANONIMISEERD]. P laat door een aannemer verbouwingen uitvoeren, waarover niet-aftrekbare OB is verschuldigd (kosten [GEANONIMISEERD] 21% OB). Door de verbouwing wordt het pand een woning. Van een nieuw vervaardigd goed voor de omzetbelasting is geen sprake. P levert de woning binnen 6 maanden nadat hij het pand had verkregen aan K voor [GEANONIMISEERD].
**Vraag.**
Hoe verloopt de heffing van overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging door K? Mag het bedrag van de verbouwingskosten [GEANONIMISEERD] waarover niet-aftrekbare OB was verschuldigd, op de heffingsgrondslag in mindering worden gebracht op de voet van art. 13 WBR?
**Antwoord**
Neen.
K is overdrachtsbelasting verschuldigd over [GEANONIMISEERD] behoudens vermindering ex art. 13 WBR (de verkrijging door K vindt plaats binnen de termijn van 6 maanden). Voor vermindering komt alleen het bedrag van [GEANONIMISEERD] in aanmerking. Per saldo wordt derhalve overdrachtsbelasting geheven bij K over [GEANONIMISEERD]. De verbouwingskosten [GEANONIMISEERD] komen niet voor aftrek in aanmerking. De verbouwing heeft immers niet geleid tot een nieuw vervaardigd gebouw.
In uw antwoord datum en kenmerk van deze brief vermelden.
**Toelichting**
Op grond van art. 13 WBR wordt in geval van verkrijging binnen zes maanden na een vorige verkrijging van dezelfde goederen door een ander de waarde verminderd met het bedrag waarover ter zake van de vorige verkrijging hetzij overdrachtsbelasting, hetzij op grond van art. 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet aftrekbare omzetbelasting verschuldigd was. Ter zake van de vorige verkrijging (door P) was geen omzetbelasting, maar wel overdrachtsbelasting verschuldigd [GEANONIMISEERD], zodat het bedrag van [GEANONIMISEERD] bij K de grondslag van [GEANONIMISEERD] in mindering komt.
Als van een (vorige) verkrijging in civielrechtelijke zin geen sprake is, maar binnen zes maanden voorafgaand aan een verkrijging wel sprake was van een btw-belaste (op)levering, is onder "vorige verkrijging" ook die vorige (op)levering begrepen. Zie HR 22 maart 2013 en J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting (beide bronnen hieronder aangehaald).
HR 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5307, NTFR 2013/1175
“3.4.2. Op grond van artikel 13, lid 1, van de Wet BRV wordt in geval van verkrijging binnen zes maanden na een vorige verkrijging van dezelfde goederen door een ander, de waarde verminderd met het bedrag waarover ter zake van de vorige verkrijging hetzij overdrachtsbelasting, hetzij op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet aftrekbare omzetbelasting verschuldigd was. Aangezien omzetbelasting niet wordt geheven ter zake van een verkrijging maar, voor zover hier van belang, ter zake van een levering, brengt een zinvolle uitleg van deze bepaling mee dat in gevallen waarin sprake is geweest van verschuldigdheid van omzetbelasting, onder “vorige verkrijging” wordt verstaan: een vorige levering in de zin van de omzetbelasting (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 41510bis, LIN BNO646, BNB 2012/140, onderdeel 2.3). Daarop wijst ook de in onderdeel 5.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal geciteerde parlementaire geschiedenis.”
In Wegwijs in de overdrachtsbelasting, 2016, par. 6.5.4 staat het volgende:
Hoe zit het nu, als een bestaand gebouw met btw is verbouwd en binnen de art. 13-termijn na de voltooiing van de verbouwing wordt overgedragen? Naar mijn mening zal art. 13 alleen dan van toepassing zijn, als door die verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht in de zin van art. 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB 1968, ofwel als een nieuw gebouw is opgeleverd in de zin van art. 3, lid 1, onderdeel c, Wet OB 1968. Als een verbouwing, hoe ingrijpend ook, niet een onroerende zaak heeft voortgebracht die tevoren niet bestond, kan derhalve het bedrag waarover btw is voldaan bij een latere verkrijging binnen de art. 13-termijn niet op de heffingsgrondslag in mindering worden gebracht.
Ik hoop u hiermee naar genoegen geïnformeerd te hebben.
Geef een reactie