1774360

AI-samenvatting

Dit memo behandelt de toepassing van artikel 9, vierde lid, WBR bij de terug-verkrijging van economisch eigendom. De conclusie is dat de heffingsgrondslag kan worden verminderd, mits er eerder overdrachtsbelasting verschuldigd is geweest.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Memo KG-vraag 16-052-7**
**Toepassing artikel 9, vierde lid, WBR bij terug-verkrijging van economisch eigendom**

**Casus**
{ Alteeft in}67 Awr|de juridische en economische eigendom verkregen van een onroerende zaak (een 67 Awr | voor| 67 Awr buro. Door toepassing van artikel 13 WBR (verkrijging binnen zes maanden na een vorige) heeft H overdrachtsbelasting voldaan over| 67 Awr |euro. De vermindering maatstaf van heffing ex artikel 13 WBR bedroeg du$ 67 Awr euro.
Op dezelfde datum in[67 Awrlhee6d Alde economisch eigendom geleverd aan derden.
Ir67 Awr] wordt de economische eigendom door die derden weer terug overgedragen afl Ante waarde van de onroerende zaak bedraagt danl 67 Awr _|euro.

**Vraag**
De hoofdvraag is:
In hoeverre is op de (terug)verkrijging van de economisch eigendom in artikel 9, vierde lid, WBR van toepassing?
De hoofdvraag valt uiteen in een aantal sub-vragen:
a) Hoe dient in artikel 9, vierde lid, WBR het begrip ‘verschuldigd’ uitgelegd te worden?;
b) In hoeverre leidt toepassing van CPP2006/878M paragraaf 9 in casu tot toepassing van artikel 9, vierde lid, WBR?;
c) In hoeverre leidt toepassing van CPP2006/878M paragraaf 10 in casu tot toepassing van artikel 9, vierde lid, WBR?

**Doel en strekking artikel 9, vierde lid, WBR – verschuldigd**
Artikel 9, vierde lid WBR is van toepassing in het geval dat bij dezelfde persoon de economische eigendomsverkrijging wordt gecompleteerd door de juridische levering van de onroerende zaak. Of andersom; de situatie waarin aanvankelijk de juridische eigendom is verkregen onder voorbehoud van economisch eigendom. In die twee gevallen wordt bij de tweede verkrijging slechts belasting geheven over het verschil in waarde. Daarbij wordt niet de voorwaarde gesteld dat de tweede verkrijging binnen een bepaalde termijn moet plaatsvinden.
In de wetsgeschiedenis staat daarbij vermeld: “Uiteraard gaat deze bepaling alleen op indien er ter zake van de eerste verkrijging daadwerkelijk overdrachtsbelasting of omzetbelasting, die niet aftrekbaar is, verschuldigd is geweest.”! Doel en strekking brengt derhalve mee dat er bij de tweede verkrijging slechts belasting geheven wordt over het verschil in waarde wanneer ter zake van de eerste verkrijging daadwerkelijk overdrachtsbelasting verschuldigd is geweest.
Het uitgangspunt voor toepassing van artikel 9, vierde lid, WBR is dus dat er daadwerkelijk overdrachtsbelasting verschuldigd is geweest dan wel niet-aftrekbare omzetbelasting verschuldigd is geweest. Wanneer op de eerdere verkrijging artikel 13 WBR (deels) is toegepast is de overdrachtsbelasting (materieel) niet verschuldigd geweest en is artikel 9, vierde lid, WBR (in zoverre) niet van toepassing.

**Jurisprudentie**
De uitspraak van Hof Den Bosch van 21 januari 2004° doet daar niet aan af. Het Hof geeft in die uitspraak het oordeel dat in een specifiek geval, gelet op de ratio van artikel 9, vierde lid WBR, redelijke wetstoepassing meebrengt dat het artikel 13-voordeel niet wordt teruggenomen ondanks dat op de eerste verkrijging geen overdrachtsbelasting verschuldigd was. In dat berechte geval was sprake van de verkrijging van economische eigendom van een woning door sleuteloverdracht ten behoeve van uit te voeren verbouwingswerkzaamheden, welke economische eigendomsoverdracht op een (reeds vaststaand) later moment werd gecompleteerd met de juridische levering.
De door het Hof toegepaste redelijke wetstoepassing strekt zich niet uit tot andere situaties. Het oordeel van het Hof is in samenhang met doel en strekking van artikel 13 WBR gegeven voor een situatie waarin eerst de economische eigendom wordt verkregen en kort daarna de transactie wordt gecompleteerd met de juridische levering. Het kan volgens het Hof niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om in het berechte geval met de ene hand terug te nemen (heffing over volle waarde bij verkrijging economische eigendom) wat hij met de andere hand heeft gegeven (vermindering heffingsgrondslag op grond van artikel 13 WBR).?
De uitspraak van Hof Arnhem van 10 juni 2008° betrof een zaak waarin ter zake van de voorafgaande verkrijging te weinig overdrachtsbelasting was geheven omdat de vastgestelde maatstaf van heffing lager was dan de waarde in het economisch verkeer. Het Hof oordeelt dat het bij artikel 13 WBR gaat om de materiële verschuldigdheid, of de materiële belastingschuld is geformaliseerd doet daarbij niet ter zake. Ondanks dat er te weinig overdrachtsbelasting was geheven mocht de hogere maatstaf van heffing wel in mindering worden gebracht op de tweede verkrijging.
In het onderhavige geval is de overdrachtsbelasting ter zake van de voorafgaande verkrijging dat ziet op het artikel 13 WBR-voordeel echter materieel niet verschuldigd geweest. Zodoende kan de uitspraak van Hof Arnhem niet leiden tot de conclusie dat er in het onderhavige geval recht is op vermindering van de maatstaf van heffing ex artikel 9, vierde lid, WBR ter zake van het eerder genoten artikel 13 WBR-voordeel.

**Deelconclusie**
In casu bestaat er wel recht op toepassing van artikel 9, vierde lid, WBR maar de redelijke wetstoepassing, vanwege de samenhang met artikel 13 WBR ten aanzien van de ‘verschuldigdheid’, is in casu niet van toepassing op basis van de WBR en de wetsgeschiedenis van artikel 9, vierde lid WBR.
Anders gezegd: wel vermindering van de heffingsgrondslag op grond van artikel 9, vierde lid WBR maar alleen voor zover de OVB materieel verschuldigd is geweest. Dus vermindering van de heffingsgrondslag met| 67 Aur |euro.

**CPP2006/878M, paragraaf 9**
De door Hof Den Bosch veronderstelde redelijke wetstoepassing (zie hierboven) is vastgelegd in paragraaf 9 van het besluit CPP2006/878M. De vereiste samenhang met artikel 13 WBR zit in de voorwaarde “Het tijdstip van de verkrijging van de economisch eigendom staat feitelijk vast”.
Paragraaf 9 spreekt echter van een goedkeuring, hetgeen impliceert dat deze beperkt dient te worden uitgelegd. Paragraaf 9 ziet ook op het onderhavige geval. Dit volgt uit paragraaf 10.

**Deelconclusie**
Paragraaf 9 van het besluit leidt tot de conclusie dat de heffingsgrondslag in het onderhavige geval kan worden verminderd met het artikel 13 WBR-voordeel. Dit volgt echter niet rechtstreeks uit de tekst, maar onder toepassing van paragraaf 10.

**CPP2006/878M, paragraaf 10**
Uit paragraaf 10 blijkt dat artikel 9, vierde lid, WBR° van toepassing is bij het terug-verkrijgen van economisch eigendom. De maatstaf van heffing wordt op basis van artikel 9, vierde lid, WBR verminderd met het bedrag waarover de juridisch eigenaar bij de verkrijging van juridisch eigendom overdrachtsbelasting was verschuldigd.
Paragraaf 10 is echter gebaseerd op redelijke wetstoepassing. Dit impliceert dat de goedkeuring van paragraaf 9 ook geldt voor situaties als bedoeld in deze paragraaf.
Paragraaf 10 vereist uiteraard wel dat aan de overige eisen van artikel 9, vierde lid WBR wordt voldaan.

**Deelconclusie**
De terugoverdracht als bedoeld in de onderhavige kwestie dient te worden getoetst aan de eisen van artikel 9, vierde lid WBR. Eerst als daaraan wordt voldaan vindt de toets plaats aan paragraaf 9 van het besluit.

**Conclusie**
De conclusie is dat de maatstaf van heffing bij de terug-verkrijging van de economisch eigendom dor Ali [67 Awrl wordt verminderd op basis van artikel 9, vierde lid, WBR in samenhang met de paragrafen 9 en 10 van het besluit.

**Aanbeveling**
Het lijkt aan te bevelen om de tekst van het beleidsbesluit CPP2006/878M onderdeel 9 te verduidelijken / aan te vullen en in overeenstemming te brengen met de tekst van het onderdeel 4.2 van het samenloopbesluit.
**14 november 2017**

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: