1774358

AI-samenvatting

Dit bindend advies behandelt de grondslag voor de heffing van overdrachtsbelasting in het kader van gefaseerde aankopen en terugoverdracht van economische eigendom. De kennisgroep concludeert dat de paragrafen 9 en 10 van het Besluit niet analoog kunnen worden toegepast.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Betreft**
Bindend advies.

Geachte,

U hebt de kennisgroep een vraag gesteld omtrent de toepassing van de paragrafen 9 (verkrijging van economische eigendom gevolgd door een verkrijging van juridische eigendom of andersom) en 10 (terugoverdracht economische eigendom aan de juridische eigenaar) van het Besluit van 19 februari 2007, nr. CPP 2006/878M (Overdrachtsbelasting. Maatstaf van heffing). Hieronder treft u het antwoord (bindend advies) aan.

**Feiten.**
Een [GEANONIMISEERD] kapitaalvennootschap verkrijgt een aantal onroerende zaken ten behoeve van een [GEANONIMISEERD] commanditaire vennootschap (cv). Hierbij vindt artikel 13 WBR toepassing.

**Vraag.**
Wat is de grondslag voor de heffing van overdrachtsbelasting [GEANONIMISEERD]? Meer in het bijzonder: Hoe dienen artikel 9, vierde lid WBR en de paragrafen 9 en 10 van het Besluit 2006/878M te worden uitgelegd?

**Antwoord.**
[GEANONIMISEERD] en omdat de paragrafen 9 en 10 verschillende situaties betreffen is voor analoge toepassing geen ruimte. In paragraaf 9 is namelijk sprake van een gefaseerde aankoop. In paragraaf 10 is sprake van een terugoverdracht van de economische eigendom aan de juridische eigenaar.

**Toelichting.**
De strekking van paragraaf 9
Artikel 13 WBR is een faciliteit die voorkomt dat onroerende zaken, die binnen een kort tijdsbestek meerdere keren en door meerdere partijen worden verkregen, bij elke verkrijging volledig worden belast. Paragraaf 9 voorkomt dat deze faciliteit verloren gaat bij de gefaseerde verkrijging van onroerende zaken.

De strekking van paragraaf 10
Paragraaf 10 ziet op de situatie dat belanghebbende (de juridische eigenaar) de economische eigendom terug verkrijgt en hierdoor weer de volle eigendom heeft. In deze paragraaf wordt gefaciliteerd dat deze terug verkrijging niet leidt tot een heffing over de volle waarde, maar dat rekening wordt gehouden met hetgeen was verschuldigd (en betaald) ten tijde van de verkrijging van de volle eigendom.

**Een ruimere strekking van paragraaf 10?**
De vraag is dan of ook bij de [GEANONIMISEERD] de door toepassing van artikel 13 WBR bij de eerste verkrijging niet geheven ET de toepassing van artikel 9 vierde lid WBR toch moet worden beschouwd als zijnde verschuldigd. Voor een dergelijke ruimere uitleg van paragraaf 10 van het Besluit ziet de kennisgroep geen ruimte. Dit kan als onbillijk worden ervaren. Bijvoorbeeld in de situatie – denk hierbij aan een beleggingsfonds – dat splitsing van de onroerende zaak ten tijde van de aankoop is veroorzaakt door dwingend recht.

De kennisgroep adviseert deze vraag voor te leggen.

Ik hoop u hiermee naar genoegen geïnformeerd te hebben.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: