AI-samenvatting
Dit bindend advies behandelt de vraag of de vrijstelling van art. 15-1-i WBR van toepassing is op verkrijgingen door E BV en X BV. De conclusie is dat de vrijstelling in beide gevallen niet van toepassing is.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**1774329**
Kantoor Maastricht
Postbus 4486
6401 CZ Heerlen
Telefoon
Kennisgroep overdrachtsbelasting
Datum: 28 oktober 2015
Behandeld door: 5.1.2e
Vraag: 15-052-10
Betreft: Bindend advies.
U hebt de kennisgroep overdrachtsbelasting een vraag voorgelegd over de toepassing van art. 15 lid 1 onderdeel i Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR). Hieronder treft u het antwoord (bindend advies) aan.
**Casus**
1: eigen grond
E BV sticht voor eigen rekening en risico op eigen grond een opstal. E BV richt X BV op in het kader van de afsplitsing van E BV. X BV verkrijgt derhalve (onder algemene titel) de opstal inclusief ondergrond. Art. 15-1-h WBR jo art. 5c Ubbr vindt geen toepassing: aan de voorwaarden wordt niet voldaan.
Vraag: kan op deze verkrijging de vrijstelling van art. 15-1-i WBR worden toegepast wat betreft de waarde van de door E BV gestichte opstal?
2: gehuurde grond
E BV sticht voor eigen rekening en risico op gehuurde grond een opstal waarvan de juridische eigendom krachtens natrekking toekomt aan de verhuurder en de economische eigendom toekomt aan E BV in het kader van de afsplitsing van E BV. X BV verkrijgt (onder algemene titel) de economische eigendom van de opstal. De vrijstelling van art. 15-1-h WBR jo art. 5c Ubbr vindt geen toepassing: aan de voorwaarden wordt niet voldaan.
Vraag: kan op deze verkrijging de vrijstelling van art. 15-1-i WBR worden toegepast?
**Conclusie**
In beide gevallen is de vrijstelling van art. 15-1-i WBR niet van toepassing.
**Bezoekadres**
In uw antwoord datum en kenmerk van deze brief vermelden
Kloosterweg 22
HEERLEN
—
**Kenmerk 2**
15-052-10
**Beschouwing**
Art. 15-1-i WBR luidt:
1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
i. van een zaak die is aangebracht door of in opdracht en voor rekening van de verkrijger of zijn rechtsvoorganger onder algemene titel;
De wetgever had met art. 15-1-i WBR het oog op de verkrijging van een onroerende zaak door een aanbrenger (iemand, geen eigenaar van een onroerende zaak zijnde, door wie, of in wiens opdracht, en voor wiens rekening, derhalve een economisch belanghebbende, de onroerende zaak van een ander — kort gezegd — was verbeterd) én door een rechtsopvolger onder algemene titel van deze aanbrenger. Dat wil zeggen: de vrijstelling geldt niet alleen voor de aanbrenger zelf, maar ook voor zijn of haar rechtsverkrijgers onder algemene titel. De toevoeging ‘of zijn rechtsvoorganger onder algemene titel’ strekt er volgens de kennisgroep uitsluitend toe te bewerkstelligen dat de vrijstelling niet verloren gaat door rechtsopvolging onder algemene titel: als X bij verkrijging een beroep op art. 15-1-i WBR toekomt, komt dat beroep ook toe aan de rechtsopvolgers onder algemene titel van X. Voor de rechtsopvolgers onder algemene titel is de vrijstelling van art. 15-1-i WBR dus een (van hun rechtsvoorganger) afgeleide vrijstelling. Anders gezegd: als aan X een beroep op art. 15-1-i WBR niet toekomt, komt die vrijstelling ook niet toe aan zijn rechtsopvolgers onder algemene titel.
Die laatste situatie doet zich voor in casus 1: E BV is immers eigenaar van het onroerend goed geworden krachtens natrekking (onbelast). Voor toepassing van art. 15-1-i WBR ten behoeve van E BV is dan geen plaats. Daarmee mist de vrijstelling ook toepassing op de verkrijging door X BV. In die zin ook Rechtbank Breda, 26-07-2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BB2242, NTFR 2007/1965.
Deze redenering gaat niet op waar het de verkrijging van een op gehuurde grond gestichte opstal betreft. E BV (als huurder en aanbrenger) is in deze gevallen niet krachtens natrekking eigenaar van de opstal geworden, maar wel economisch eigenaar. Zou de (juridische) eigendom van de opstal aan E BV zijn overgedragen (door overdracht van de grond of door vestiging van een recht van opstal), dan zou de vrijstelling van art. 15-1-i WBR op die verkrijging wel van toepassing zijn geweest. Ook een rechtsopvolger onder algemene titel aan wie de juridische eigendom van de opstal wordt overgedragen, valt dan de vrijstelling ten deel. E BV in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van E BV verkrijgt echter niet de juridische eigendom, maar de economische eigendom. Gelet op het hiervoor weergegeven doel en de strekking van art. 15-1-i WBR is de vrijstelling voor dat geval niet geschreven. Deze situatie laat zich heel wel vergelijken met die van casus 1 en Rechtbank Breda, 26-07-2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BB2242, NTFR 2007/1965. Alleen als X BV nadat hij E BV onder algemene titel is opgevolgd vervolgens de juridische eigendom verkrijgt, komt aan X BV een beroep op art. 15-1-i WBR toe.
Ik hoop u hiermee naar genoegen geïnformeerd te hebben.
Geef een reactie