AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt bevestigd dat de kinderen recht hebben op de vrijstelling van artikel 15-1-b Wet BRV bij de verkrijging van aandelen in Holding. Dit geldt mits de aandelen betrekking hebben op de waarde van het verhuurde pand, ondanks dat slechts een deel van de deelnemingen wordt vervreemd.
Kennisgroepstandpunt
Standpunt Kennisgroep Overdrachtsbelasting
Kennisgroep-vraag 19-052-27
Artikel 15-1-b Wbr
Eeiten
67 Awr
| 100%
Derde Holding Derde
33,33%33,33% | 33.33%
100% — lm
Beheer Instaltateufs
Vraag
Hebben de kinderen voor de verkrijging van de aandelen in Holding recht op de vrijstelling
van artikel 15-1-b Wet BRV door de toepassing van de doorkijkarresten?
Antwoord
Ja. De vrijstelling van artikel 15.1.b WBR is bij de verkrijging van de aandelen in Holding
uitsluitend van toepassing op de waarde van het pand dat aan |_s7awr wordt
verhuurd,
Beschouwing
Na het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2018, (HR:2018:2110) heeft de
kennisaroen een notitie voor de heffinasmedewerkers overdrachtsbelastina aemaakt.k7 Au}
67 Awr
In onderdeel 1 van de notitie staat bij letter b. vermeld dat de vervreemder de enige
aandeelhouder is en alle aandelen overdraagt aan de verkrijger die daarmee enig
1774104 00053
1774104aandeelhouder wordt. De notitie spreekt van verkrijger en niet van verkrijgers. Strikt
genomen kan de vrijstelling op basis van de notitie niet worden toegepast.
De inhoud van de notitie is gebaseerd op de feiten die ten grondslag lagen aan voornoemd
arrest van de Hoge Raad waar sprake was van één verkrijger. De kennisgroep ziet geen
aanleiding te veronderstellen dat de Hoge Raad bij meerdere verkrijgers (en een overigens
vergelijkbare casus) anders zou hebben geoordeeld,
Voorts vermeldt de notitie: “Als de verkrijging betrekking heeft op alle aandelen in het
kapitaal van een houdstermaatschappij zonder materiële onderneming, maar met een
100% deelneming in een ozr met materiële onderneming, kan 15-1-b WBR ook toepassing
vinden, als aan de voorwaarden a-e wordt voldaan.”
In het onderhavige geval is Holding firmant van een VOF. Geconsolideerd bezien behoort
dit firmadeel (en daarmee haar belang bij haar deelnemingen) tot het vermogen van de
Holding BV!
Vanuit Holding bezien wordt niet 100% maar 1/3 deel van de deelnemingen vervreemd
(deze feiten wijken dus af van de notitie), maar via de aandelen Holding wordt wel haar
belang in de onderneming in haar geheel (100%) overgedragen aan haar kinderen. De
kennisgroep acht het verdedigbaar dat in de geest van voornoemd arrest de laatste
interpretatie het meeste recht doet aan de casus. Haar belang van slechts een 1/3 deel in
een materiële onderneming hoeft in dit geval geen beletsel te zijn om de vrijstelling te
verlenen, mits dit 1/3 deel in haar geheel via de aandelen in Holding wordt overgedragen.
Let op, de beantwoording van de onderhavige vraag heeft onder tijdsdruk
plaatsgevonden. Om die reden heeft geen afstemming plaats kunnen vinden met andere
nog in behandeling zijnde vragen over artikel 4 in combinatie met 15-1-b Wet BRV. Dit
betekent dat dit antwoord vooralsnog beperkt blijft tot deze casus en geen precedent kan
scheppen voor een vergelijkbare casus.
! Ingeval de rechtspersoon een belang heeft in een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid dienen de bezittingen
en schulden van dit lichaam eveneens naar evenredigheid te worden toegerekend. Echter, voor deze toerekening
geldt niet dat de bezittingen en schulden pas hoeven te worden geconsolideerd indien de rechtspersoon een
belang van een derde of meer bezit in het lichaam. De ‘eenderdegrens’ van artikel 4, vierde lid, onderdeel a, van
de WBR geldt derhalve niet voor niet-rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen. (MvT bij wetsvoorstel 33753,
Overige Fiscale Maatregelen 2014; Kamerstukken II 2013/14, 33 753, nr.3 (V-N 2013/46A.6).
00053
Geef een reactie