AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt vastgesteld dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter b, Wbr van toepassing is op de verkrijging van aandelen door een kind in Ouder Holding BV. De vennoot in de commanditaire vennootschap wordt als ondernemer aangemerkt, waardoor de fiscale transparantie van toepassing is.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**1774098**
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
Belastingdienst Grote Ondernemingen Midden/kantoor Utrecht
5.1.2e niet verzonden, casus is al afgedaan)
**Memo**
**Feiten**
Kennisgroepstandpunt 19-052-18 Toepassing doorkijkarresten art. 15 lid 1 letter b Wbr
Voor de beantwoording wordt als feit aangenomen dat OZ CV een materiële onderneming drijft. Dit is een essentieel feit dat door de KG OVB niet inhoudelijk is beoordeeld;
Ouder Holding BV is bewaarvennootschap voor de onroerende zaken van OZ CV en derhalve aan te merken als OZR. Ouder Holding BV heeft voor 100% de juridische eigendom van de onroerende zaken die in economische zin zijn ingebracht in OZ CV. Ouder Holding BV is voor [67 Awr] gerechtigd tot de winst van OZ CV en is beherend vennoot van OZ CV;
OZ CV heeft daarnaast commanditaire vennoten, waaronder Kind Holding BV met een onbekend percentage gerechtigdheid. Verder zijn onbekende derden voor een onbekend percentage gerechtigd tot OZ CV.
Kind is bestuurder van Ouder Holding BV;
Voor de Inkomstenbelasting wordt geen beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit;
Voor de Schenkbelasting wordt een beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit.
Voorgenomen rechtshandeling: Ouder is voornemens de aandelen in Ouder Holding BV over te dragen aan Kind tegen een tegenprestatie die lager is dan de waarde in het economisch verkeer van de aandelen.
**Structuur:**
67 Awr
67 Awr 67 Awr
67 Awr |
B 67 Awr |
67 Awr Ter aur} 9| SM oe | braud
67 Awr
1 Artikel 4.17c Wet inkomstenbelasting.
Artikel 35b e.v. Successiewet.
**VERTROUWELIJK**
Corporate Dienst
Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst.nl
**Contactpersoon**
5.1.2e
**Datum**
30 juni 2020
**Versienummer**
1.0
**Behandeld door**
5.1.2e
**Kopie aan**
5.1.2e
**Bijlage**
Pagina 1 van 4
—
**Vraag**
Is de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter b, Wbr van toepassing?
**Antwoord**
Een vennoot in een CV is voor artikel 15, eerste lid, letter b, WBR aan te merken als ‘ondernemer’, het aandeel (deelgerechtigdheid in een CV) is een ‘subjectieve onderneming’ en wordt door de fiscale transparantie toegerekend aan Ouder Holding BV.
De door Ouder Holding BV in eigendom zijnde onroerende zaken behoren alsdan, als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen, tot de subjectieve onderneming. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, letter b, WBR is van toepassing op de verkrijging van de aandelen in Ouder BV door het kind.
**Beschouwing/Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
Wettekst artikel 15-1-b WBR
De wettekst van artikel 15, eerste lid, letter b, WBR vermeldt (selectief, niet letterlijk, weergegeven): de verkrijging door een kind van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel door het kind wordt voortgezet.
**Uitvoeringsbesluit artikel 5-1 UBBR**
In artikel 5, eerste lid, UBBR (voorwaarden inbrengvrijstelling 15, eerste lid, letter e, ten tweede, WBR) is opgenomen (selectief, niet letterlijk): gedreven onderneming, waaronder mede wordt verstaan de onderneming bestaande uit de deelgerechtigdheid in een commanditaire vennootschap.
**Parlementaire geschiedenis**
In de memorie van toelichting (TK 1999-2000, 27 030, nr. 3, pp. 6-8, 22-23) op de Wijziging van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer en de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 2000, 551) staat onder meer het volgende (dit heeft betrekking op artikel 15-1-e WBR):
De voorwaarden voor de vrijstelling bij de inbreng in een NV of BV, die grotendeels zijn uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit (…), houden in dat een onderneming moet worden ingebracht — onder onderneming mede verstaan de onderneming bestaande in een deelgerechtigdheid in een maatschap, VOF of CV (…);
De eerste voorwaarde is dat het bij de inbreng in een personenvennootschap moet gaan om de inbreng van een onderneming (waaronder mede wordt verstaan de onderneming bestaande in een deelgerechtigdheid in een maatschap, VOF of CV). Deze voorwaarde is gesteld omdat het oneigenlijke gebruik van de vrijstelling — anders gezegd: een verkoop vermommen als inbreng — zich in het bijzonder buiten de ondernemingssfeer voordoet, bijvoorbeeld de inbreng van een of meer losse onroerende zaken.
Door de vrijstellingsfaciliteit te beperken tot een lopende materiële onderneming stuit de faciliteit qua uitgangspunt beter aan bij de bestaande vrijstellingen van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, en het tweede deel van artikel 15, onderdeel e, van de WBR, welke vrijstellingen, evenals hun tegenhangers in de inkomstenbelasting, zijn bedoeld om de lopende onderneming bij de verandering van rechtsvorm van de onderneming of de overdracht binnen familieverband niet onnodig te belasten.
**Beleid**
In het Besluit Overdrachtsbelasting Ondernemingsfaciliteiten is opgenomen:
Onderneming: Objectieve onderneming dan wel subjectieve onderneming in de zin van artikel 3.2 van de Wet IB 2001 met inbegrip van het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen.
**Jurisprudentie**
Uit Hoge Raad 14 januari 1981, nr. 20224, gepubliceerd in BNB 1981/73, blijkt dat, anders dan belanghebbende kennelijk meent, de vraag of er een onderneming is niet wordt beantwoord in de Wet op de inkomstenbelasting, maar door doel en strekking van de inbrengvrijstelling van art. 15,1,e WBR, waarbij overigens wel met de eisen der tijd mee moet worden gegaan.
(ECLI: NL: GHSHE: 2002: AF0607)
Het begrip ‘onderneming’ is niet omschreven in de parlementaire geschiedenis, maar dient blijkens de ratio van de bepaling ruim te worden uitgelegd. Zie ook HR 14 januari 1981, nr. 20 224, BNB 1981/73. Onder onderneming dient in dit verband niet alleen te worden verstaan de objectieve onderneming maar ook de subjectieve onderneming in de zin van de Wet IB 2001, Art. 5 lid 1.
Uitvoeringsbesluit BRV 1971 bepaalt dat ook de deelgerechtigdheid in een personenvennootschap als in te brengen onderneming kwalificeert. Vanzelfsprekend zal de personenvennootschap wel een onderneming dienen te drijven. (bron helaas niet meer bekend).
**Meningen vakliteratuur**
Mening A. Rozendal (NDFR) – artikelsgewijs commentaar 15-1-b
Onder het begrip ‘onderneming’ valt zowel de objectieve onderneming (eenmanszaak) als de subjectieve onderneming, zoals een deelgerechtigdheid in een personenvennootschap. Het gaat in beginsel om een ondernemingsbegrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet IB 2001. Dit kan worden afgeleid uit het besluit van 10 juli 2013, nr. BLKB2013/1130M, NTFR 2013/1585. In onderdeel 1.1 van het besluit is aangegeven dat het begrip onderneming dient te worden verstaan in de zin van ‘subjectieve onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB 2001 met inbegrip van het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen'.
Mening De Vakstudie – artikelsgewijs commentaar 15-1-b
Het in de vrijstellingen van art. 15, eerste lid, onderdeel b en e, vermelde begrip ‘onderneming’ dient op dezelfde wijze te worden uitgelegd. Voor beide vrijstellingen geldt dat zowel een gehele (objectieve) onderneming als een aandeel in een personenvennootschap (subjectieve onderneming) kwalificeert als een onderneming in de zin van de vrijstelling. De Vakstudie gaat niet expliciet in op buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen.
Mening Van Kempen (Cursus Belastingrecht) – hoofdstuk 2.3.4.C.a
Volgens de tekst van art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV geldt als voorwaarde voor toepassing van de vrijstelling dat wordt verkregen ‘van een ondernemer’. Met de term ‘ondernemer’ is bedoeld iedere natuurlijke persoon die een subjectieve onderneming drijft in de zin van IB.
De Wet IB 2001 onderscheidt binnen de categorie natuurlijke personen met een subjectieve onderneming de ondernemers en de overige winstgenieters, zoals medegerechtigden. Zie art. 3.3 en 3.4 Wet IB 2001, behandeld in IB.3.2.3 en 1B.3.2.4, Art. 3.5 Wet IB 2001 stelt bovendien de beoefenaar van een zelfstandig beroep gelijk met een ondernemer. Zie IB.3.2.3.A.d. Deze onderverdeling in de Wet IB 2001 heeft naar onze mening geen gevolgen voor de familievrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV. De huidige familievrijstelling bestond namelijk al voordat de Wet IB 1964 werd vervangen door de Wet IB 2001. De term ‘ondernemer’ in art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV heeft daarom ook na invoering van de Wet IB 2001 haar eigen ruimere voornoemde betekenis gehouden. Ook een commanditaire vennoot in een CV die een objectieve onderneming drijft, wordt derhalve als ondernemer aangemerkt voor de toepassing van de familievrijstelling.
Onder onderneming wordt verstaan de subjectieve onderneming in de zin van art. 3.2 en 3.8 Wet IB 2001. De onroerende zaak dient aldus te behoren tot het vermogen van de subjectieve onderneming van de overdrager. Dit betekent naar onze mening dat de onroerende zaak als ondernemingsvermogen moet zijn geëtiketteerd voor de IB. Een onroerende zaak in gesplitst gebruik die volledig als privévermogen wordt geëtiketteerd, kan daarom volgens ons niet met toepassing van de familievrijstelling worden verkregen door een familielid. Zie IB.3.2.7.B.d. Voor een vennoot in een personenvennootschap maakt ook zijn buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen deel uit van het vermogen van zijn subjectieve onderneming. Zie 1B.3.2.35.C.f en voor het laatst het Bes/uit van 25 mei 2018, nr. 2018-50125,V-N 2018/32.8, Stcrt. 2018, 30213, onderdeel 1.1. Op de verkrijging van een onroerende zaak die tot het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen van een vennoot behoort, kan aldus in beginsel de familievrijstelling worden toegepast.
Geef een reactie