1774096

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of een tuin in Nederland kan worden aangemerkt als aanhorigheid bij een woning in België voor de toepassing van het verlaagde tarief van 2%. De ruling concludeert dat het verlaagde tarief van toepassing is, gezien de directe werking van het Europese recht.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1774096**

**Kennisgroepvraag 19-052-16 Tuin in Nederland aanhorig aan woning in België**

**Feiten**
De woning [GEANONIMISEERD] ligt in België en de tuin [GEANONIMISEERD] ligt in Nederland.
Dat er sprake is van een tuin die bij de woning behoort, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is kan als feit worden aangenomen.

**Vraag**
Is de tuin in Nederland aan te merken als een aanhorigheid voor de toepassing van het verlaagde tarief in de zin van artikel 14, tweede lid, Wbr?

**Antwoord**
Het verlaagde tarief in de zin van artikel 14, tweede lid, Wbr is van toepassing. Directe werking van het Europese recht brengt met zich mee dat ieder ander standpunt strijdigheid met het Europese recht oplevert.

**Beschouwing**
Is in casus feitelijk sprake van een aanhorigheid bij een woning en derhalve het 2% tarief van toepassing? Maakt het dan uit waar die woning staat (in Nederland of België)?

Artikel 2-1: Onder de naam ‘overdrachtsbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen.
Artikel 14-2: In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging van woningen (…). Onder woningen worden mede begrepen aanhorigheden die tot woningen behoren of gaan behoren.

De verkrijging van een woonhuis in België is niet belast met overdrachtsbelasting, omdat uitsluitend de verkrijging van in Nederland gelegen woningen belast is. Als iemand een woonhuis in België verkrijgt en gelijktijdig het in Nederland gelegen perceel (zal vooral bij economische eigendom het geval zijn), dan is uitsluitend over het in Nederland gelegen perceel OVB verschuldigd. Er is dus voor de overdrachtsbelasting géén sprake van de verkrijging van een woning met aanhorigheden.

Anderszins als de woning in Nederland was gelegen (en de aanhorigheid in België) dan was er geen enkele discussie. Het tarief van 2% zou gelden over de waarde van de woning, dit op grond van art. 14 lid 2 Wbr. Nu ligt de woning in België en wordt een in Nederland gelegen perceel verkregen die als aanhorigheid fungeert bij deze woning. In de slotzin van art. 14 Wbr staat dat onder woningen mede worden begrepen aanhorigheden die tot woningen behoren of gaan behoren. De woning moet dan wel daadwerkelijk een woning zijn (onroerende zaak, geen woonark), maar er is geen beperking gesteld t.a.v. de ligging van deze woning. Op grond van artikel 2 Wbr wordt overdrachtsbelasting geheven ter zake van in Nederland gelegen onroerende zaken. In casus wordt daarom de verkrijging van de in Nederland gelegen aanhorigheid belast. Voor de vraag of er sprake is van een aanhorigheid is het de vraag of uit moet worden gegaan van een in Nederland gelegen woning. Zo niet, dan is het tarief van 2% toepassing.

Hoewel de overdrachtsbelasting niet gebaseerd is op een Europese richtlijn geldt het EU-verdrag (VWEU) en daarin opgenomen vrijheden waaronder vrijheid van kapitaalverkeer in hun volle omvang. De verkrijging van de aanhorigheid tegen het 6% tarief levert in deze situatie strijdigheid met het EU-verdrag. Alles bij elkaar overwegend is in de onderhavige casus het 2% tarief van toepassing.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *