1771572

AI-samenvatting

In dit bindend advies wordt geconcludeerd dat een kloostercomplex niet als woning kan worden aangemerkt volgens artikel 14, lid 2 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Dit betekent dat het verlaagde tarief voor overdrachtsbelasting niet van toepassing is op dergelijke onroerende zaken.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

Limburg/kantoor Maastricht
Postbus 4486
6401 CZ Heerlen
Telefoon
Kennisgroep overdrachtsbelasting
Doorkiesnummer | 5.1.2e
Datum
17 september 2018
Behandeld door
Vraag
18-052 -11
Betreft
Toepassing art. 14, lid 2 WBR.
Bindend advies.

Geachte,
U heeft de kennisgroep een vraag gesteld omtrent de toepassing van artikel 14, lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).
Hieronder treft u het antwoord (bindend advies) aan.

Vraag
Is een kloostercomplex aan te merken als een woning voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, van de WBR?

Antwoord
Naar zijn aard (bouwkundig) is de onroerende zaak – als geheel beschouwd: het klooster(complex) – niet aan te merken als een woning in de zin van artikel 14, tweede lid, WBR en is het verlaagde tarief niet van toepassing.
Een onroerende zaak die oorspronkelijk ontworpen en gebouwd is als klooster(complex) is naar zijn oorspronkelijke aard geen woning. Bouwkundig gezien is een klooster als geheel ontworpen en gebouwd met het oog op diverse gebruiksfuncties en zijn er verschillende ruimtes / onderdelen te onderscheiden zoals bijvoorbeeld een kapel, kloostergang, gezamenlijke ruimtes, logeerkamers, werkruimtes, woonvertrekken, centrale keuken en dergelijke. Deze bouwkundige aard bestemt de onroerende zaak naar zijn aard tot klooster.

Beschouwing en conclusies.

Bezoekadres
In uw antwoord datumen kenmerk van deze brief vermelden
Terra Nigrastraat 10
Maastricht

Kenmerk 2
18-052-11
Klooster – maatschappelijk en bouwkundig
Allereerst dient de vraag te worden beantwoord wat een klooster is.
Uit Wikipedia:
“Een klooster (van het Latijnse claustrum, afgesloten ruimte) is een gebouw of een samenstel van gebouwen dat dient tot huisvesting van een groep of gemeenschap van mannen of vrouwen, vaak monniken of monialen genoemd, die zich uit de wereld heeft teruggetrokken om een godsdienstig leven te leiden.”
Uit Van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal:
“instelling, plaats en gebouw waar mannen of vrouwen, die zich uit de wereld (de gewone maatschappij) hebben teruggetrokken, samenwonen om een aan God en de godsdienst gewijd leven te leiden volgens voorschriften die daartoe zijn vastgesteld.”
Uit de definities blijkt dat een klooster(complex) maatschappelijk gezien een multifunctioneel karakter heeft waaruit het tarief niet zonder meer kan worden afgeleid.
Bouwkundig gezien is een klooster gebouwd met het oog op de diverse gebruiksfuncties en zijn er verschillende ruimtes / onderdelen te onderscheiden, zoals bijvoorbeeld: een kapel, kloostergang, gezamenlijke ruimtes, logeerkamers, werkruimtes, woonvertrekken, centrale keuken en dergelijke.

Wetsgeschiedenis en jurisprudentie
Een klooster staat blijkens de wetsgeschiedenis niet vermeld in de zogenaamde ‘negatieve lijst’.
Wattel concludeert echter dat een klooster op grond van zijn oorspronkelijke bouwkundige aard en objectieve bestemming niet is bestemd voor bewoning.
In het ‘Hospice-arrest’ bepaalde de Hoge Raad:
“2.3.1 (…) De hiervoor in 2.1.3 weergegeven kenmerken van het pand laten geen andere slotsom toe dan dat het naar zijn aard is bestemd om dienst te doen als een verzorgingsinstelling en dus niet als woning in de zin van artikel 14, lid 2, Wbr kan worden aangemerkt.
Daaraan doet niet af dat de benodigde zorg niet is begrepen in de huurprijs die aan de bewoners in rekening wordt gebracht en dat er geen artsen, verpleegkundigen, schoonmakers en ander gekwalificeerd personeel in dienst van belanghebbende en [A] zijn, en evenmin dat het hospice geen ‘verpleeginrichting’ is.
Beslissend is de aard van het pand, gemeten naar zijn objectieve kenmerken. De contractuele relatie van de bewoners met de exploitant van het pand is daarvoor, anders dan het Hof tot uitgangspunt heeft genomen, niet bepalend.”
Van Straaten maakt uit het arrest (onder andere) het volgende op:
– “Is de hoofdfunctie van een gebouw, afgemeten aan zijn objectieve kenmerken (het bouwkundige ontwerp en de dienovereenkomstig gerealiseerde inrichting), ‘verzorgingsinstelling’, dan is de woonfunctie daaraan ondergeschikt, zodat het lage tarief niet van toepassing is (ook niet voor de ‘woongedeelten’).”
– “Een pand dat oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd als verzorgingsinstelling is geen woning in de zin van art. 14 lid 2 Wet BRV, ook niet wat betreft die gedeelten die bestemd zijn voor privégebruik. Voor het hospice in kwestie ging die conclusie op.”
‘Zie onderdeel 5.8 van de gemeenschappelijke bijlage van Wattel bij zijn conclusies van de woningarresten.
? HR 24-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:291, m.nt. J.C. van Straaten.

Kenmerk 3
18-052-11
– “Met zijn oordeel dat het gebouw in kwestie een ‘verzorgingsinstelling’ is en dus niet als woning in de zin van art. 14 lid 2 Wet BRV kan worden aangemerkt, lijkt de Hoge Raad de rechtsopvatting van het Hof te volgen dat een verzorgingsinstelling volgens de wetsgeschiedenis niet als woning is aan te merken. Het lijkt er daarmee op dat de Hoge Raad de in de memorie van toelichting voorkomende ‘negatieve lijst, bestaande uit gebouwen die in ieder geval niet als woning in de zin van art. 14 lid 2 Wet BRV aangemerkt worden, zal volgen.”
Dat er in het kloostercomplex (al dan niet onzelfstandige) verblijfs- of woonruimtes zijn doet aan het antwoord niet af, de onroerende zaak (het gebouw) dient (in bouwkundige zin) als geheel in aanmerking te worden genomen.
Voor splitsing, zoals bij een woon/winkelpand (boven woning, beneden winkel), is hier geen plaats, omdat de gehele onroerende zaak (het gehele bouwkundige complex), het klooster vormt.
Het 2% tarief kan wel van toepassing zijn op zelfstandige, voor bewoning bestemde, gebouwen die los staan van het klooster, ook al bevinden zij zich op het kloosterterrein. Vgl. externe ‘aanleunwoningen’ bij een zorginstelling.
Dat een kloostercomplex voor de Gemeentewet al dan niet als woning wordt aangemerkt doet, gezien de woningarresten, niet ter zake.
Als vast staat dat een onroerende zaak oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd als klooster (en er nadien geen wezenlijke veranderingen hebben plaatsgevonden) hoeft er geen feitenonderzoek plaats te vinden ten behoeve van de vaststelling van het tarief.”
Ik hoop u hiermee naar genoegen geïnformeerd te hebben.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *