1771570

AI-samenvatting

Dit bindend advies behandelt de toepassing van de artikelen 9, 10 en 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) bij de verkrijging van aandelen in een onroerend goed lichaam. De conclusie is dat de compensatie van het overdrachtsbelastingvoordeel niet tot de maatstaf van heffing behoort, maar dat de heffing plaatsvindt over de waarde van de onroerende zaken die door de aandelen worden vertegenwoordigd.

Kennisgroepstandpunt

Limburg/kantoor Maastricht
Postbus 4486 6401 CZ Heerlen Telefoon
Kennisgroep overdrachtsbelasting
Doorkiesnummer 5.1.2e
5.1.2e . Datum
, 15 augustus 2018
Behandeld door
5.1.2e
Vraag
18 – 052 – 08
Betreft
Toepassing artt. 9, 10 en 13 WBR.
Bindend advies.
Geachte 5.1.28 |
U heeft de kennisgroep een vraag gesteld omtrent de toepassing van de artikelen 9, 10 en 13 Wet
op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) bij de verkrijging van aandelen in een OZR.
Hieronder treft u het antwoord (bindend advies) aan.
Casus.
aangeren Op [ _s7Awr heeft X de aandelen in Y verkregen, welke vennootschap indirect de
houdt in A BV, B BV en C BV (O2ZR’s in de zin van artikel 4 van de WBR). Y heeft op
(67 Awralle aande i BV en C BV verkregen, ter zake waarvan over respectreverjk
€ 67 Awr n € 67 Awr joverdra ina is voldaan.
Aangezien de verkrijging van de aandelen door X op 67 Awr plaatsvond binnen de termijn van
6 maanden/36 maanden na de vorige verkrijging, kan voor dé berekening van de verschuldigde
overdrachtsbelasting een beroep worden gedaan op artikel 13 van de WBR.
De compensatie van het overdrachtshelastingvoordeel zoals begrepen in de koopsom van de
aandelen bedraagt in totaal € | _67Awr ait is het afgesproken bedrag aan compensatie).
Vraag.
Behoort de compensatie van het overdrachtsbelastingvoordeel zoals begrepen in de koopsom van
de aandelen tot de maatstaf van heffing voor de overdrachtsbelasting?
Antwoord.
De tweede volzin van artikel 9, lid 1, WBR is niet van toepassing bij verkrijging van aandelen in een
OZR. Deze conclusie is in overeenstemming met het doel en de strekking van artikel 10 WBR. Het
Bezoekadres
In uw antwoord datumen kenmerk van deze brief vermelden Terra Nigrastraat 10
Maastricht
1771570 00032

1771570Kenmerk 2
18-052-08
ontbreken van een ondergrens doet immers niet af aan de hoofdregel dat wordt geheven over de
waarde van de door de aandelen vertegenwoordigde onroerende zaken.
Beschouwing.
De ondergrens die artikel 9, lid 1, tweede volzin, WBR wat de heffing van overdrachtsbelasting
betreft stelt aan de in aanmerking te nemen waarde van een verkregen onroerende zaak, te weten
de tegenprestatie, kan bij verkrijging van aandelen in een OZR geen dienst doen, omdat ingevolge
artikel 10 WBR (een lex specialis) geen heffing plaatsvindt over de waarde van de verkregen
aandelen, maar over de waarde van de onroerende zaken die door de verkregen aandelen worden
vertegenwoordigd (middellijk en onmiddellijk). De hoogte van de prijs die voor de aandelen wordt
betaald wordt niet alleen bepaald door de waarde van de tot de bezittingen van de rechtspersoon
behorende onroerende zaken, maar ook door de waarde van de overige activa en passiva van de
rechtspersoon. De hoogte van de prijs die voor de aandelen wordt betaald en de overige van de
koper bedongen lasten, zoals compensatie voor het artikel 13-voordeel (samen: de tegenprestatie)
zijn dan ook voor de heffing van overdrachtsbelasting niet relevant, anders dan als mogelijk ijkpunt,
met inachtneming van de overige bezittingen en schulden, om de waarde in het economische
verkeer te bepalen van de door het lichaam gehouden onroerende zaken. Met behulp van de
koopsom voor de aandelen kan dus wel berekend worden of de waarde van de onroerende zaken –
bij benadering – juist is vastgesteld. De prijs voor de aandelen zal inmers bepaald zijn aan de hand
van de waarde van de onroerende zaken, rekening houdend met de waarde van de overige
bezittingen en schulden en eventuele belastinglatenties.
Uitgangspunt in dit kader vormt de waarde van de onroerende zaken. Betaling van een hogere
tegenprestatie voor de aandelen is niet relevant.
Verwezen wordt naar het eerder door de KG ingenomen standpunt. Voor beschouwing en
conclusie: zie bijlage.
Tot slot.
De kennisgroep merkt wel op dat het genoemde compensatiebedrag EEZ kennisgroep
evreemdt Immers bij de vorige verkrijging was overdrachtsbelasting verschuldigd over in totaal b
€ 67 Awr waarover maximaal 6% overdrachtsbelasting verschuldigd was ofwel €| 67 Awr
Ik hoop u hiermee naar genoegen geïnformeerd te hebben.
5.1.2e
00032

Kenmerk 3
18-052-08
Bijlage.
KG 12-052-03:Art. 4 WBR, W.E.V. of hogere tegenprestatie.
De kennisgroep is primair van mening, dat er bij de aankoop van aandelen in een vennootschap
geen tegenprestatie als zodanig is aan te wijzen voor de onroerende zaken die in het bezit zijn van
die vennootschap. De tegenprestatie wordt in de obligatoire overeenkomst immers bedongen (en
betaald) voor de verkrijging van de aandelen en zal het resultaat zijn van inschatting van enerzijds
de waarde van de onroerende zaken en andere activa en anderzijds de hypothecaire schuld en
andere passiva. Er wordt derhalve niet toegekomen aan toepassing van de tegenprestatie van art.
9, eerste lid, WBR als ondergrens.
Voor het geval de aankoopprijs van de aandelen – via een transparante benadering van het lichaam
(durchgriff) – al zou moeten worden aangemerkt als tegenprestatie is de kennisgroep van mening
dat art. 10 WBR een lex specialis vormt ten opzichte van art. 9, eerste lid, WBR. Er moet derhalve –
conform art. 10 WBR – hoe dan ook enkel worden gekeken naar de waarde van de onroerende
zaken die door de vennootschap worden gehouden. Naar de indruk van de kennisgroep wordt deze
zienswijze bevestigd door de parlementaire geschiedenis waar bij de totstandkoming van art. 10
WBR wordt verwezen naar art. 45d van de registratiewet 1917, welke bepaling werd ingevoerd als
onderdeel van de invoering van de heffing ter zake van de verkrijging van aandelen van onroerend
goed-lichamen (wetsvoorstel 194). De heffing vond toen blijkens deze bepaling plaats op basis van
de verkoopwaarde van de onroerende zaken. Bij de invoering van het huidige art. 10 WBR wordt
opgemerkt dat deze bepaling in wezen overeenkomt met art. 45d van de Registratiewet 1917, zodat
de kennisgroep van mening is dat bij aandelen de maatstaf van heffing enkel wordt bepaald via art.
10 WBR zonder rekening te houden met de ondergrens van art. 9, eerste lid, WBR.
Als je de koopsom van de aandelen overigens als ondergrens in acht zou willen nemen, zou
bovendien een ongerechtvaardigd verschil in behandeling kunnen ontstaan tussen de aankoop van
aandelen in een vennootschap waarvan de prijs negatief wordt beïnvloed door de passiva en een
vennootschap waar dit niet aan de orde is. Stel bijvoorbeeld dat de bezittingen van een
vennootschap alleen bestaan uit vastgoed met een waarde van € 1 miljoen, terwijl € 1,1 miljoen
wordt betaald voor de verkrijging van de aandelen. Alsdan zal bij toepassing van art. 9, eerste lid,
WBR een maatstaf van heffing gelden van € 1,1 miljoen. Dit terwijl bij een zelfde waarde aan
vastgoed, waartegenover op de balans echter een hypotheek staat van 1 miljoen maar een
koopsom voor de aandelen zal worden betaald van € 100.000. Alsdan is de tegenprestatie derhalve
niet hoger dan de waarde van het vastgoed, zodat — via — art. 10 WBR slechts over de waarde van
€ 1 miljoen wordt geheven. Het lijkt de kennisgroep althans dat je niet kunt stellen dat sprake is van
het aangaan van een last, doordat je via het aandelenbezit indirect de hypotheeklast op je neemt. In
de benadering dat de heffing op grond van art. 4 WBR in feite een soort durchgriff vormt, kun je
hierover natuurlijk anders denken: de durchgriff vindt dan mogelijk ook plaats voor de lasten.
Conclusie
De kennisgroep komt dan ook tot de conclusie dat de prijs van de aandelen niet relevant is voor de
maatstaf van heffing, anders dan als ijkpunt met inachtneming van de overige bezittingen en
schulden om de waarde in het economische verkeer te bepalen van de door het lichaam gehouden
onroerende zaken. Met behulp van de koopsom voor de aandelen kan dus wel berekend worden of
de waarde van de onroerende zaken – bij benadering – juist is vastgesteld. De prijs voor de
aandelen zal inmers bepaald zijn aan de hand van de waarde van de onroerende zaken, rekening
houdend met de waarde van de overige bezittingen en schulden en eventuele belastinglatenties. Als
X BV, de laatste verkrijger, bereid is substantieel méér te betalen voor de aandelen, kan dat er op
wijzen dat de onroerende zaken méér waard waren. Afhankelijk van de omstandigheden zou dan de
getaxeerde waarde wellicht kunnen worden verworpen en vervangen door een hogere.
1771570 00032

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: