AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de mogelijkheid om economisch onroerend goed in te brengen in een vennootschap zonder de overige vennoten. De conclusie is dat dit mogelijk is, afhankelijk van de afspraken in de vennootschapsovereenkomst, waarbij ook de implicaties van stille reserves worden besproken.
Kennisgroepstandpunt
zit Belastingdienst
Rf
er
Belastingdienst, Postbus 10014, 8000 GA Zwolle
Kennisgroep
Overdrachtsbelasting
5.1.2e Burgemeester Drijbersingel 27
8021 DA Zwolle
Postbus 10014
8000 GA Zwolle
www.belastingdienst.nl
Doorkiesnummer
5.1.28
Datum
19 maart 2019
Behandeld door
5.1.2e |Betreft: Bindend advies vraag met betrekking tot 0%-inbreng. |
Vraag
18-052-17
U heeft de kennisgroep een vraag gesteld omtrent de toepassing van
a artikel 14, lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).
a, Hieronder treft u het antwoord (bindend advies) aan.
Vraag
Kun je economisch onroerend goed inbrengen in een vennootschap onder
uitsluiting van de overige medevennoten?
Antwoord
Ja, afhankelijk van de voorwaarden in de vennootschapsovereenkomst.
Beschouwing
Artikel 16 Wetboek van Koophandel
De vennootschap onder eene firma is de maatschap, tot de uitoefening
van een bedrijf onder eenen gemeenschappelijken naam aangegaan”.
Artikel 7A:1655 BW
Maatschap is eene overeenkomst waarbij twee of meerdere personen zich
verbinden om iets in gemeenschap te brengen met het oogmerk om het
daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.
Artikel 3:166 BW
1. Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen
toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.
2. De aandelen van de deelgenoten zijn gelijk, tenzij uit hun
rechtsverhouding anders voortvloeit.
3. Op de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten is artikel 2 van
Boek 6 van overeenkomstige toepassing.
Uit: Wegwijs, hoofdstuk 7.8.1.
Paginanummer 1 van 3
1771563 00035
De ter zake van de inbreng gemaakte afspraken hebben twee aspecten:
1. het kapitaal wordt erdoor ‘geoormerkt’, in die zin dat het bestemd
wordt voor de uitoefening van de onderneming (het zijn activa die niet
langer dienstbaar zijn aan het privévermogen van de vennoten, maar
die dienstbaar zijn geworden aan de onderneming die in
vennootschappelijk verband wordt uitgeoefend);
2. het kapitaal moet worden geleverd, hetzij juridisch hetzij alleen
economisch (weer al naar gelang wat is afgesproken) aan de
vennootschap:
– bij een personenvennootschap die geen rechtspersoonlijkheid
heeft, betekent levering aan ‘de vennootschap’ dat de goederen
door de inbrenger worden geleverd aan de gezamenlijke vennoten
(er ontstaat daardoor gemeenschap in de zin van titel 3.7 BW);
— bijeen bv of nv worden de in te brengen goederen geleverd aan de
vennootschap (storting op aandelen); ook bij informele
kapitaalstorting (vergroting van het eigen vermogen zonder
uitreiking van aandelen) verkrijgt de bv of nv naar onze opvatting
krachtens inbreng.
Inbreng met voorbehoud van toekomstige stille reserves
Vennoten kunnen voorts overeenkomen — en komen in de praktijk ook
overeen — dat de stille reserves die gedurende het bestaan van de
vennootschap ontstaan (de toekomstige stille reserves), aan de inbrenger
zullen toebehoren. Vaak wordt dit gedaan als de waardeontwikkeling van
de ingebrachte zaken geen verband houdt met de bedrijfsactiviteiten,
zoals bij onroerende zaken of kunstvoorwerpen.
In het geval is ingebracht met voorbehoud van bestaande en toekomstige
stille reserves (die derhalve niet behoren tot het gemeenschappelijke
vennootschapsvermogen) heeft o.i, het volgende te gelden.
1. Tot het aan de vennoten gezamenlijk toebehorende vermogen bij
ontbinding van de vennootschap behoort ten hoogste de boekwaarde
bij aanvang van de vennootschap (de werkelijke waarde bij ontbinding
wordt immers verminderd met de bij inbreng voorbehouden stille
reserves en de tijdens de duur van de vennootschap opgebouwde stille
reserves).
2. Mocht op het moment van ontbinding de werkelijke waarde lager zijn
dan de boekwaarde vermeerderd met de voorbehouden stille reserves
(er zijn geen opgebouwde stille reserves), dan delen de vennoten de
minderwaarde naar rato van ieders winstaandeel. Ook hier is denkbaar
dat de werkelijke waarde op dat moment lager is dan de
voorbehouden stille reserves. In dat geval zal de vennootschap aan de
inbrenger maximaal de werkelijke waarde verschuldigd zijn bij wijze
van uitkering van de voorbehouden stille reserves. Het verlies voor de
1771563Kennisgroep
Overdrachtsbelasting
Datum
19 maart 2019
5.1.2e
Vraag
18-052-17
Paginanummer 2 van 3
00035
1771563vennootschap beloopt dan maximaal de boekwaarde.
Het vorenstaande maakt duidelijk dat ook in deze situatie het risico van
waardeverandering van de ingebrachte zaak, hoe zeer dat ook beperkt is
tot de boekwaarde, beide vennoten aangaat naar rato van ieder
winstaandeel.
De kennisgroep is het eens met bovenstaande beschrijving waaruit blijkt
dat ook bij een inbreng, waarbij stille en toekomstige reserves worden
voorbehouden, toch wel sprake is van een gemeenschap ten aanzien van
maximaal de boekwaarde ten tijde van de inbreng. De niet-inbrengende
vennoot krijgt een economisch belang bij de onroerende zaken. Een
beroep op de vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter e WBR is nodig om
heffing van overdrachtsbelasting bij de inbreng te voorkomen.
In de voorgelegde casus is echter in de overeenkomst opgenomen dat
stille en toekomstige reserves (positief en negatief) zijn voorbehouden
aan de inbrenger en dat de winstgerechtigdheid ten aanzien van de
bedrijfsgebouwen is bepaald op 100% voor de inbrengende vennoot. In
dat geval komt aan de andere vennoot geen enkel risico van
waardeverandering toe en is geen sprake van een verkrijging van een
economische eigendom.
Ik hoop u hiermee naar genoegen geïnformeerd te hebben.
5.1.2e
§.1.2eKennisgroep
Overdrachtsbelasting
Datum
19 maart 2019
5.1.2e
Vraag
18-052-17
Paginanummer 3 van 3
00035
Geef een reactie