AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt vastgesteld dat de belanghebbende geen recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven, omdat de betaling voor de studie plaatsvond voordat hij binnenlands belastingplichtige werd. Het document behandelt de voorwaarden voor aftrek en het relevante betalingsmoment.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
Haani dienstonderdeel
Kennisgroep IB niet winst algemeen
VERTROUWELIJK
**Datum**: maart 2021
**Versienummer**: memo
**Betaling studiekosten in jaar van immigratie**
**Referentienummer**: 20 202 0026
**Casus**
Een inwoner van [GEANONIMISEERD] gaat studeren aan de [GEANONIMISEERD] Universiteit. Ten behoeve van de inschrijving volgt hij de procedure van de [GEANONIMISEERD]. In die procedure moet voor een bepaald moment een bedrag aan de [GEANONIMISEERD] worden betaald. Na betaling van dat bedrag wordt de verblijfsvergunningaanvraag visumaanvraag voor de toekomstige student door de [GEANONIMISEERD] in gang gezet. Als de toekomstige student om enige reden (waaronder ook de afwijzing van de verblijfsvergunning of het visum) niet naar Nederland kan komen en zich voor de studie uitschrijft, wordt het betaalde bedrag grotendeels teruggestort.
**Bijlagen**
Geen
De [GEANONIMISEERD] Universiteit schrijft in de casus van belanghebbende het volgende over de betaling:
Financial Matters
In order to proceed with your enrolment at [GEANONIMISEERD] Universiteit the following amount must be received by [GEANONIMISEERD] Universiteit before the payment deadline of July 2015:
Tuition fee 2015-2016 Euro 13,560.00
Living expenses Euro 10,200.00
Total amount Guarantee to be paid Euro 23,760.00
Non EU EFTA nationals need visa and/or residence permit for the Netherlands. In order for [GEANONIMISEERD] Universiteit to arrange the visa and/or residence permit for Non EU EFTA nationals, must transfer EURO 10,200.00 for living expenses. This amount is based on rules of the Dutch Immigration Service. We will transfer this sum into your Dutch bank account shortly after your arrival in Delft.
In juni 2015 betaalt belanghebbende 23,760. Op het moment van deze betaling woont belanghebbende nog in [GEANONIMISEERD]. Belanghebbende emigreert in augustus 2015 naar Nederland en start op september 2015 met zijn studie aan de [GEANONIMISEERD] Universiteit.
Belanghebbende is met ingang van juni 2015 te kwalificeren als binnenlands belastingplichtige en verzoekt in zijn aangifte om aftrek scholingsuitgaven van 13,310. Belanghebbende stelt dat er met de betaling in juni 2015 sprake is van een zogenaamde depotstorting. Hij stelt dat hij de beschikkingsmacht over het betaalde geld behoudt totdat de studie feitelijk aanvangt. Pas bij aanvang van de studie op september 2015 heeft de betaling van het collegegeld plaatsgevonden door afboeking op het depot. Aangezien belanghebbende op dat moment binnenlands belastingplichtige is, is er recht op aftrek van scholingsuitgaven, aldus belanghebbende.
**Opmerking terzijde**
Overigens zien we in veel situaties dat er enkele jaren na afloop van het betreffende belastingjaar een schriftelijke overeenkomst vaak met een familielid of met een derde wordt overgelegd waarbij wordt overeengekomen om de studiekosten die door de geldverstrekker zijn betaald voorgeschoten in de buitenlandse periode van het betreffende migratiejaar rentedragend terug te betalen nadat belanghebbende is afgestudeerd.
**Vragen**
Heeft belanghebbende recht op aftrek van scholingsuitgaven?
Ter beantwoording van deze vraag zijn de volgende deelvragen van belang:
– Wat is het betalingsmoment of het moment van ter beschikking stellen in de zin artikel 40 van de Wet IB 2001?
– Meer specifiek: Heeft belanghebbende recht op aftrek van de persoonsgebonden aftrekpost scholingsuitgaven, welke in hetzelfde belastingjaar maar in de periode vóór immigratie naar Nederland vooruit zijn betaald?
– Kan een geldlening achteraf voor kosten betaald in de buitenlandse periode als persoonsgebonden aftrekpost PGA aangemerkt worden?
**Antwoorden**
1. Nee, het betalingsmoment of het moment van ter beschikking stellen van de scholingsuitgaven collegegeld is in dit geval het moment waarop het bedrag bestemd voor betaling van collegegeld van de rekening van belanghebbende is afgeschreven op de rekening van de [GEANONIMISEERD].
2. Nee, belanghebbende heeft geen recht op aftrek van een persoonsgebonden aftrekpost omdat hij op het betalingsmoment geen binnenlands belastingplichtige is en hij niet kan worden aangemerkt als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
3. Nee, een latere terugbetaling van een schuld die verband houdt met de eerdere persoonsgebonden aftrekpost is geen persoonsgebonden aftrekpost.
**Beschouwing**
Vraag: Het tijdstip waarop uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten waartoe de scholingsuitgaven behoren voor aftrek in aanmerking komen, wordt bepaald door artikel 40 lid van de Wet IB 2001. Dat artikellid bepaalt dat dergelijke posten in aanmerking worden genomen op het tijdstip waarop zij zijn betaald, zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.
De vraag of en wanneer er sprake is van betaling, verrekening, terbeschikkingstelling of rentedragend worden is civielrechtelijk van aard.
De kennisgroep neemt primair het standpunt in dat de overschrijving van het geldbedrag door belanghebbende op de rekening van de [GEANONIMISEERD] te kwalificeren is als een betaling in de zin van artikel 40 lid sub van de Wet IB 2001. Voor de beantwoording van de hoofdvraag is het van belang om vast te stellen op welk moment de betaling heeft plaatsgevonden.
Vanuit civielrechtelijk oogpunt vindt een betaling plaats op het moment dat een bedrag op de rekening van de crediteur is gecrediteerd (artikel 114 van het Burgerlijk Wetboek). Omdat dit moment voor een belastingplichtige vaak niet bekend is, wordt binnen de Wet IB 2001 ter bepaling van het tijdstip van aftrek bij girale betalingen een ander tijdstip gehanteerd, namelijk het tijdstip waarop de bank het bedrag van de rekening van de debiteur heeft afgeschreven. Uit de aan de kennisgroep voorgelegde casus is de precieze afschrijvingsdatum niet op te maken. Wel valt op te maken dat belanghebbende het bedrag aan collegegeld in juni 2015 heeft overgemaakt aan de [GEANONIMISEERD]. Dat is dus het betaalmoment. Dat er sprake is van een vooruitbetaling maakt dat niet anders.
Voor zover het giraal overmaken van het bedrag aan de [GEANONIMISEERD] niet kwalificeert als betaling, neemt de kennisgroep subsidiair het standpunt in dat er sprake is van ter beschikking stellen in de zin van artikel 40 lid sub van de Wet IB 2001. Van terbeschikkingstelling is sprake indien een debiteur een zodanige handeling verricht dat de rechthebbende tot het inkomensbestanddeel de beschikkingsmacht over het inkomensbestanddeel krijgt en de debiteur deze verliest. Met het overmaken van het bedrag aan collegegeld is belanghebbende de beschikkingsmacht over het geldbedrag verloren en heeft de [GEANONIMISEERD] de beschikkingsmacht verkregen.
De stelling van belanghebbende dat hij de beschikkingsmacht over het betaalde bedrag heeft behouden totdat de studie daadwerkelijk op september is aangevangen, wordt daarmee niet gevoegd. Beslissend voor dit standpunt is dat belanghebbende het als collegegeld bestemde bedrag na de betaling niet zomaar van de [GEANONIMISEERD] kan terugvorderen. Alleen als belanghebbende ongeacht de reden een uitschrijvingsverzoek doet, krijgt hij een vordering op de universiteit tot terugbetaling van het betaalde bedrag.
Als belanghebbende het door hem overgemaakte bedrag alleen maar kan terugkrijgen door een uitschrijvingsverzoek te doen, kan niet worden gezegd dat de beschikkingsmacht is behouden. Belanghebbende is hoogstens in staat door het in leven roepen van een nieuwe rechtstoestand de beschikkingsmacht te herkrijgen. Dit is niet anders dan bij binnenlandse studenten die hun collegegeld vooruitbetalen en op een later moment beslissen dat zij de studie geen aanvang laten nemen en op dat moment het vooruitbetaalde collegegeld terugbetaald krijgen.
Bij het voorgaande heeft de kennisgroep mede in acht genomen dat zowel uit de betalingstoelichting als uit het algemene systeem van inschrijvingen en betaling van collegegelden volgt dat de betaling is gedaan ter kwijting van de verplichting tot betaling van het collegegeld. In de betalingstoelichting staat namelijk dat vóór juli 2015 een bedrag van 23,760 betaald moet zijn. Een deel van dit bedrag bestaat uit het collegegeld. Ten aanzien van het bedrag voor levensonderhoud staat uitdrukkelijk vermeld dat het bedrag strekt tot waarborg voor de aanvraag van de verblijfsvergunning of het visum. Ten aanzien van het collegegeld staat dit niet vermeld.
Dat achter "Total amount" tussen haakjes en aanhalingstekens het woord "Guarantee" staat opgenomen, maakt dat niet anders. Overigens is het in de situatie dat het collegegeld wel als waarborg zou strekken voor de aanvraag van een verblijfsvergunning of visum ook nog maar de vraag of de beschikkingsmacht bij de betalende partij blijft. Dat zal aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval dienen te worden beoordeeld.
Dat de betaling ter kwijting van de verplichting tot betaling van het collegegeld strekt en niet als waarborg kwalificeert, strookt daarnaast met het algemene systeem van inschrijving en betaling van collegegelden. Als naar de huidige regeling inschrijving en collegegeld van de [GEANONIMISEERD] Universiteit wordt gekeken, staat daarin opgenomen dat een verschuldigd bedrag aan collegegeld in zijn geheel voorafgaand aan de inschrijving bij de [GEANONIMISEERD] Universiteit dient te zijn voldaan. De stelling van belanghebbende dat het collegegeld pas verschuldigd is op het moment van inschrijving is hiermee in tegenspraak.
**Vraag**
Uit het voorgaande volgt dat de betaling dan wel terbeschikkingstelling heeft plaatsgevonden op het moment dat het bedrag van de rekening van belanghebbende is afgeschreven, op het moment dat de [GEANONIMISEERD] de beschikkingsmacht over het geldbedrag had. Omdat dit tijdstip is gelegen op een moment dat belanghebbende niet in Nederland woont, kan het collegegeld niet als een persoonsgebonden aftrek voor de Nederlandse inkomstenbelasting in aanmerking worden genomen. In dit verband verwijzen wij naar ons antwoord op vraag KG 19 202 0015. Het EU-recht is niet van toepassing omdat belanghebbende inwoner van [GEANONIMISEERD] is op het moment dat hij de kosten maakt. Dus ook via die route kan geen beroep gedaan worden op Nederlandse fiscale faciliteiten.
**Vraag**
Als er naderhand een al dan niet achteraf opgemaakte schriftelijke leningsovereenkomst wordt overgelegd waaruit volgt dat een derde het collegegeld van het onderhavige belastingjaar aan belanghebbende heeft geleend of heeft voorgeschoten, kan de aflossing van het geleende of voorgeschoten bedrag niet als scholingsuitgaven in mindering worden gebracht als belanghebbende op het moment van aflossing binnenlands belastingplichtige is. Op grond van artikel 40 van de Wet IB 2001 geldt dat het moment van betaling of verrekening van de scholingsuitgaven zelf doorslaggevend is. Een latere terugbetaling van een schuld die verband houdt met de eerdere persoonsgebonden aftrekpost is zelf geen persoonsgebonden aftrekpost. Zie ook vraag en antwoord van het besluit 21 januari 2010 nr DGB2010 372M. Dit besluit is ingetrokken bij besluit van april 2013 nr BLKB2013 473M, waarin onderdeel niet meer is opgenomen vanwege het voorlichtende karakter en de omstandigheid dat het geen beleid bevat. In het voorlichtingsmateriaal op www.belastingdienst.nl is dit antwoord echter nog wel opgenomen in de brochure Vragen en antwoorden over persoonsgebonden aftrekposten 2019 onder [GEANONIMISEERD].
Geef een reactie