AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of artikel 413 lid 1 onderdeel a van de Wet IB 2001 in strijd is met het EU recht. De conclusie is dat er nog geen definitieve uitspraak is gedaan over deze kwestie, maar er zijn aanwijzingen dat de regeling mogelijk in strijd is met de EU-regels.
Kennisgroepstandpunt
Publicatiedatum
18022016
Geldigheidsperiode
Kennisgroep
IBR IBniet winst LB
Categorie
Wet IB
Rubriek
binnenlandse belastingplicht
Sub rubriek
Niet van toepassing
1769603 00027
Forfaitair rendement versus EUrecht
Vraag
Isartikel 413 lid1onderdeel aWet IB2001 instrijd met het EU recht Zo]aiseen vrijwillige heffing
van ca10 inhetvestigingsland van devennootschap een reele heffing naarde winst naar Nederlands
begrippen alsbedoeld inart 414 achtste lidonderdeel c
Antwoord
Erisnog geen spedfieke zaak geweest waarin inalgemenezin isbeslist dat art 413414Wet IB2001
instrijdismet EUrecht Uithetgeen gepubliceerdiskan afgeleid worden dat erprocesrisico wordt
gelopen omdat deze regeling mogelijkinstrijdismet deEU recht Om hierover duidelijkheid tekrijgenis
een procedure noodzakelijk
Het achtste lidonderdeel cvan art 414Wet IB2001 betreft deonderworpenheid aan een
winstbelasting Globaal bezien zijnerdrie verschillende situaties waarin aan deminimaal vereiste
onderworpenheidisvoldaan 1Dewinstbelasting heeft een regulier tarief van ten minste 10 Erzijn
geen bijzondere grondslagafwijkingen ofandere afwijkingen 2Dewinstbelasting heeft een regulier
tarief van ten minste 10 en erziJn wel bijzondere grondslagafwijkingen ofandere afwijkingen maar
het isaannemelijk datdeeffectieve druk ten minste 10 is3Dewinstbelasting heeft een regulier
tarief van minder dan 10 maar het isaannemelijk dat deeffectieve druk ten minste 10 is
Over hetonderworpenheidsvereisteinhet Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 heeft depiv
Directeur Generaal voor Fiscale Zaken hetvolgende besloten 2Onderworpenheid algemeenInbeginsel
ishet niet vereist dat erdaadwerkelijk belastingover het buitenlandse inkomen ofdewinst is
verschuldigd noch dat erbelasting heffing over het voile bedrag van dat inkomen ofdewinst plaatsvindt
Ditzijn net alshet tarief van debelasting zaken die inbeginsel deandere Mogendheid aangaan Een en
ander betekent echter niet dat een belastingplichtige kan volstaan met een enkele verwijzing naar
heffingsbepalingenvan hetandere land Met betrekkingtothetaannemelijk maken dat ineen
desbetreffend gevalaan hetonderworpenheidsvereisteisvoldaan kan worden verlangd dat naast de
verwijzingnaar derelevante bepalingeneen aanslag ofandere inprincipe door debuitenlandse fiscus
gewaarmerkte bescheiden waaruit dieonderworpenheidvan hetvrijtestellen inkomen blijkt worden
getoond een redelijke verdeling van debewijslast brengt dat met zich mee Indien belastingplichtige
dergelijke bescheiden niet kanoverleggenisdeuitgangspositie dat niet isvoldaan aan de
onderworpenheidseis Onderzocht moet worden ofdevrijwillige belastingafdracht leidt tot
[onherroepelijke] onderworpenheid aan dewinstbelasting
Beschojwing vraag1
Artikel 413 lid1onderdeel aWet IB2001 betrekt jaarlijkseen forfaitair voordeel alsregulier voordeel
indebelastingheffing vanaanmerkelijk belanghouders die een belang houden in Een lichaam dat op
grond van haar status alsvrijgestelde beleggingsinstelling VBI zie artikel 6aWetVpb 1969 is
vrijgesteld van deheffing van vennootschapsbelasting of Een niet inNederland gevestigde
vennootschap waarvan het kapitaal geheel ofgedeeltelijkinaandelen isverdeeld enwaarvan de
bezittingen grotendeels direct ofindirect bestaan uitbeleggingen Wat opvaltisdat debepaling buiten
degevallen waarin hetgaat omVBI salleen maar van toepassingisopbelangeninniet inNederland
gevestigde vennootschappen waarvan debezittingen grotendeels bestaan uitbeleggingen maar niet
opbelangen inwel inNederland gevestigde vennootschappen Devraag diedaardoor opkomt is is
artikel 413 lid1onderdeel aWet IB2001 instrijd met het EUrecht inhetbijzonder met devrijheid
van vestiging endevrijheid van kapitaal Korving schrijft dat het vanuit Europees perspectief niet geheel
duidelijk isofeen dergelijke bepaling istoegestaan Immers wordt niet het feitelijk genoten voordeel
belast maar een forfaitair vastgesteld voordeel Uitderechtspraak van het Hof van Justitie van deEU
voIgt datvergelijkbare regelgeving waarbij een forfaitair voordeel dat slechts verband hield met
buitenlandse deelnemingeneen inbreuk opdevrijheidvan vestiging opievert Deze inbreuk kan slechts
gerechtvaardigd zijn alsdewetgeving dient terbestrijding van volstrekt kunstmatige constructies Het is
zeer devraag ofdeNederlandse wetgeving aan ditcriterium voldoet omdat debepaling geldt ten
aanzien van belangeninalle buitenlandse vennootschappen waarvan debezittingen grotendeelsuit
beleggingen bestaan Kortom Korving lijkt tetwijfelen over devermeende strijdigheid met hetEuropese
recht Anderzijds bespreken ook dHaens enStevens dekwestie inhetWeekblad Fiscaal RechtZi]
komen wel totdeconclusie dat erhoogstwaarschijnlijk strijdismet hetEuropeserecht DHaens en
Stevens hebben devraagnaar strijdigheid met hetEuropese recht behandeld aan dehand van de
1769603 00027
volgende casus Een inwoner van Nederland heeft alle aandelen ineen inNederiand gevestigde
vennootschap ABV waarvan debezittingen grotendeels bestaan uitbeieggingen DeFeiteiijke ieiding
van ABVwordt verplaatst naar een andere EU lidstaat alwaar ABVonderworpenisaan een belasting
naar dewinst ofhetinkomen die naar Nederlandse maatstaven niet redeiijkis
Vraag1 isertoegangtotde ELiverdragsvri]hedenEr issprakevan een grensoverschrijdende
economische activiteit nameli]k hethouden van beieggingenwaarvan deuitvoering wordt verplaatst
naar een andere EU lidstaat Derhalve bestaat toegang tot hetverdrag waarbij volgens deauteurs inelk
geval sprakeisvan uitoefening van devrijheid van vestiging Deaanmerkelijkbelanghouder heeft door
zijn 100 beiang nameiijk een zodanige invioed opbesluiten van devennootschap dat hi]deactiviteiten
ervan kan bepaien Tevens isnaar demening van deauteurs devrijheid van kapitaaiverkeer reievant
Vraag 2 isersprake van een verkapte discriminatie ofbelemmering Art 413 lid1onderdeel aWet
IB2001 maakt onderscheid tussen binnen enbuiten Nederland gevestigde vennootschappen endus
onderscheid naar vestigingsplaats Voigens vaste jurisprudentie kan dit een verkapte discriminatie
inhouden zaak Avoir Fiscal ook wanneer niet devennootschap wordt getroffen door degewraakte
regeling maar deaandeelhouder zaak Baars Het onderscheid naar vestigingsplaats kan tevens een
belemmering zijn voorde vrijheid van kapitaaiverkeer aangezien inwoners van Nederland door art
413414Wet IB2001 kunnen worden afgeschrikt om inandere EU lidstaten teinvesteren Een
dergelijke belemmeringisnaarde mening van deauteurs instrijd met het EUrecht opbasis van onder
meer dezaak Verkooijen
Vraag 3 is zijner een rechtvaardigingsgrond en Ten eerste zou gesteld kunnen worden datmet de
bepaling kapitaalvlucht naar het buitenland wordt voorkomen dat isook een van deredenen van
invoering van art 413 lid1onderdeel aWet IB2001 Naar demening van deauteurs ligtdeze
rechtvaardigingsgrondinhetverlengde van deveel gehanteerde rechtvaardigingsgrond vanvoorkoming
van verminderingvan belastingopbrengstenvan welke rechtvaardigingsgrond het Hof van Justitie van
deEuropese Unie herhaaldelijk heeft overwogen dat ditgeen dwingende reden vanalgemeen belangis
ziebijvoorbeeld dezaak Saint Gobain Wanneer deNederlandse overheid stelt dat art 413414Wet
IB2001 isingevoerdtervoorkomingvan uithollingvan deNederlandse heffingsgrondslag dan isdit naar
demening van deauteurs eenzelfde enderhalve niet toereikende rechtvaardigingsgrond ziedezaak
Bosal Holding Devoorkoming van belastingvermijding accepteert het Hof van Justitie van deEuropese
Unie slechts onder strikte voorwaarden alsrechtvaardigingsgrond Deregeling dient voldoende specifiek
tezijn en ermoet sprake zijn van een kunstmatige opzet zonder economisch doel diegerichtisophet
vermijden van belastingheffing ziedezaak Cadbury Schweppes Ook dewens ambeieggingenin
Nederland testimuleren kan naar demening van deauteurs geen argument zijn omgenoemde
belemmering terechtvaardigen Een dergelijke wens kan immers worden opgevat als een zuivere
economische doelstelling waarvan het Hof van Justitie van deEuropese Unie heeft beslist dat ditgeen
dwingende reden vanalgemeen belang iszaak Verkooijen Een andere rechtvaardigingsgrond die zou
kunnen worden aangevoerd isdebelastingneutraliteit van investering van kapitaal Detoepassing van
art 413414Wet IB2001 houdt verband met het feit dat inhet buitenland geen toereikende heffing
heeft plaatsgevonden over debeleggingsresultaten behaald door debuitenlandse vennootschap Verder
kan gesteld worden dat dewetgever met art 413414Wet IB2001 tracht tebereiken datdetotale
belastingdruk opzowel het niveau van deaandeelhouder als het niveau van devennootschap over de
behaalde beleggingsresultatenvanaanmerkelijkbelanghouders woonachtiginNederland gelijkis
ongeacht devestigingsplaats van devennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden
Deze belastingneutraliteit kan worden uitgelegd alsdewens van dewetgever omdesamenhang van het
belastingstelsel tebehouden Het isechter vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van deEuropese
Unie dat desamenhangvan hetbelastingstelsel moet worden getoetst ophet niveau van dezelfde
belastingplichtigeendezelfde belastingsoort zaak LenzBijdetoepassingvan art 413414Wet IB
2001 gaat hetdaarentegen om twee belastingsoorten deinkomstenbelastingende
vennootschapsbelastingentwee belastingplichtigen deaandeelhouder endebuitenlandse
beleggingsvennootschap DeNederlandse regering zou tevens kunnen betogen dattegenover het
nadeel van detoepassing van art 413414Wet IB2001 staat dat indeandere EU lidstaat over de
behaalde beleggingsresultaten een lagere belasting wordt betaald zodat ersprakeisvan een
compenserend voordeel Ofeen dergelijk argument steekhoudend ishangt afvan hetbelastingsysteem
van deandere EU lidstaat OverigensIshet maar devraag ofeen dergelijk compenserend voordeel een
rechtvaardiging impliceert Het Hof van Justitie van deEuropese Unie heeft immers herhaaldelijkbeslist
dat eencompenserend voordeel niet eenbelemmering kan wegnemen Tot slot devraag ofde
Nederlandse regering een beroep ophetEuropese recht kan weigeren met hetargument datsprakeis
van misbruik van Europees recht Het Hof van Justitie van deEuropese Unie heeft inhet arrest Emsland
Starke beslist dat om misbruik van EUrecht aan tekunnen nemen aan twee toetsen moet worden
voldaan Ten eerste deobjectieve toets eriseen geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit
blijkt dat inweerwii van deformele nalevingvan dedoor eengemeenschapsregeling opgelegde
voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet wordt bereikt Detweede toets isdesubjectieve
1769603 00027
toets debedoeling om een door degemeenschapsregeling toegekende voordeel teverkrijgen door
kunstmatig devoorwaarden tecreeren waaronder het recht opdat voordeel ontstaat Erdient derhalve
sprake tezijn van een gekunstelde opzet ofkunstmatige structuur Deauteurs betwijfelen ofin
bovengenoemde casus sprakeisvan een dergeiijke opzet ofstructuur Het Hof van Justitie van de
Europese Unie heeft immers meerdere maien overwogen dat hetverplaatsenvan defeitelijke leiding
naar het buitenland geen gekunsteide opzetisziedezaak Emsiand Starke Bovendien heeft het Hof
overwogen dat hetopzetten van een vestiginginhet buitenland opzichzelf niet het misbruiken van het
Europees recht inhoudt omdat deze buitenlandse vennootschap ook wordt onderworpen aan de
belastingheffing van het land van vestiging Conclusie naar demening van deauteurs kan worden
betwiifeld dat ereen objectieve rechtvaardigingsgrond isdie het verschil inbehandeling van een
aandelenbelang ineen binnen enbuitenlandse beleggingsvennootschap rechtvaardigt
Vraag 4proportionaliteitStel het Hof van Justitie van deEuropese Unie accepteert toch dat ereen
objectieve rechtvaardigingsgrondisvoor het verschil inbehandelingvan binnen enbuitenlandse
beleggingsmaatschappijen Dan moet alsnog devraag nog worden beantwoord ofart 414413Wet IB
2001 een geschikte enproportionele maatregelisWanneer alsrechtvaardiging wordt geaccepteerd dat
deregeling dient tevoorkomen dat deNederlandse vennootschapsbelasting wordt vermeden door de
beleggingsvennootschapinhet buitenland tevestigen kan naaronze mening betwijfeld worden ofart
413414Wet IB2001 een geschikte enproportionele maatregelisErwordt immers geen belasting
bijgeheven ook als art 413414Wet IB2001 van toepassingisblijft deNederlandse belastingdruk
opdeuitgekeerde dividenden ofgerealiseerde verkoopwinstvan deaandelen maximaal 25 Art
413414Wet IB2001 bewerkstelligt slechts dat deinkomstenbelasting eerder wordt geheven
Bovendien eist het Hof van Justitie van deEuropese Unie dat demaatregel voldoende specifiekis
waarbijinhet concrete geval kan worden getoetst ofsprakeisvan belastingontwijking die een inbreuk
opdeverdragsvrijheden rechtvaardigt Dehuidige formulering van art 413414Wet IB2001 isnaar de
mening van deauteurs indatopzichtte ruim Bijdetoetsing aan hetEGverdragisvan belang aan
welke verdragsvrijheiderwordt getoetst Ditspeelt met name wanneer sprakeisvanvennootschappen
inzogenoemde derdenlanden omdat alleen devrijheid van kapitaalverkeer derdenwerking heeft Inde
uitspraak van Hof sGravenhage 25mei 2011 nr1000160 en1000161 UNBQ6747 komt het Hof
ten aanzien van een 100 belangineen Antilliaanse NVtothet oordeel datgetoetst moet worden aan
devestigingsvrijheid Nuhetvestigingsverkeer niet isvrijgesteld naarderde landen slaagt hetberoep
van belanghebbende ophet EGVerdrag niet Wanneer wel wordt toegekomen aan detoetsing van het
vrije kapitaalverkeer isnog van belang datdoorde zogenoemde standstill bepaling datberoep niet kan
worden gedaan ten aanzien van regelingen dieop1januari 1993 reeds bestonden Inhet arrest HR17
december 2010 nr1001204 BNB2011 162 heeft deHoge Raad geoordeeld dat deregeling van artikel
413 en414van deWet IB2001 devoortzetting betreft van artikel 29a van deWet IB1964 De
regelingisopdevoornaamste punten identiek gebleven zodatterecht geen beroep kan worden gedaan
opdevrijheid van kapitaalverkeer
Conclusie Er isnog geen specifieke zaak geweest waarin inalgemene zin isbeslist dat art 413414
Wet IB2001 instrijdismet EU recht Het lijkt wel zotezijn dat erstrijdismet EUrecht opbasis
van het redeneerschema van dHaens enStevens waarbij veel verwijzingennaar eerder gewezen
arresten worden gemaaktZieechter welbijvoorbeeld dezaken HR 5oktober 2012 nr1102956
NTFR 2012 2349 enHR17december 2010 nr1001204 NTFR 2010 2882 Hierin wordt ineerste
instantie wel een beroep gedaan opdevermeende strijdigheid met EU recht van art 413414Wet IB
2001 maar aan detoetsing wordt niettoegekomen omdat indeze zaken detoegang tothet EUrecht
cgdeverdragsvrijheden wordt ontzegd gelet opbijvoorbeeld het feit dat hetom een derde land gaat
Beschouwing vraag 2
Opgrondvan artikel 414 achtste lidonderdeel cvan deWet IB2001 geldt het fictieve rendement ook
niet indien debuitenlandse vennootschapisonderworpen aan een belasting naar dewinst die resulteert
ineen naar Nederlandse begrippen redelijke heffing Inhetkader van deWet werken aan winst isdeze
redelijke heffing vanaf 1januari 2007 ingevuld met devoorwaarde dat het tarief minstens 10 dient te
bedragen over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst zonder rekening tehouden
met derente box enoctrooi box van artikel 12b en12c van deWet VPB 1969 Vanaf 2010 ishetbegrip
redelijke heffing vender gestroomlijnd waarbij ook bijzondere regimesinhet buitenland bezien moeten
worden Debetekenis van artikel 414 achtste lid van deWet IB2001 isaan deorde geweestinHR21
juni 1995 nr29843 BNB 1997 72 Opgemerkt werd dat uitdegeschiedenis van detotstandkoming
van art 29a vierde lidWet IB1964 thans artikel 414 achtste lid van deWet IB2001 blijkt datde
wetgever om tevoorkomen dat door deruime omschrijving inartikel 29a eerste lid van deWet IB
1964 thans artikel 414 eerste lid van deWet IB2001 binnen het bereik van ditartikel ook
vennootschappen zouden vallen waarvan defeitelijke werkzaamheden niet overeenkomen met beleggen
drie soorten vennootschappen ultdrukkelljkheeft uitgezonderdenvoor hetoverigeheeft vertrouwd op
1769603 00027
dealgemene omschrijving ’vennootschappen waarvan defeitelijke werkzaamheden aanmerkelijk
verschillen van beleggen ofdaarmee overeenkomende werkzaamheden Inaant 91gaan we inopde
algemene aspecten van deze uitzondering en inaant 92meer inhetbijzonder opdeterbeurze
genoteerde kredietinstellingen enz Uithet elFde lidonderdeel avoIgt dat dedeelnemingsvriistelling
van toepassingisindien het lichaam waarin debelastingplichtigeeendeelneming heeft isonderworpen
aan een voldoende belastend regime Indien voldoende belasting wordt geheven overde winst van het
lichaam wordt aangenomen dat van hetonderbrengen van mobiel kapitaalineen laagbelastende
jurisdictie geen sprake isMede omwille van deleesbaarheid van dewettekst isgekozen voor een
bondige algemene formulering Om toch maximale duideliikheid tescheppen over detoepassing wordt
hierna zoconcreet alsmogelijk aangegeven welke invulling aansluit bijdehuidige Nederlandse heffing
van winstbelasting Dealgemene formulering laat tevens deruimte voor een nadere ofzonodig andere
invulling als ditdoor toekomstige ontwikkelingen nodig zou zi]n Eentoekomstige wijziging van onze
belasting heffing over winst—bijvoorbeeld deinvoering van een rentebox met een afwijkend effectief
tarief—werkt hierdoor zonder wettelijke aanpassing door indeonderworpenheidstoets Via de
onderworpenheidstoets wordt beoogd tetoetsen ofdewinst van het lichaam waarin debelastingplichtige
een deelneming heeft opeen vanuit Nederlandse optiek adequate wijze ineen winstbelasting wordt
betrokken Deonderworpenheidstoets betreft dus demate van onderworpenheid van het direct
gehouden lichaam Registratiebelastingen kapitaalbelastingen overdrachtsbelastingen bronheffingen en
dergelijke zi]n geen winstbelastingen enkomen dus niet inbeeld Het isechter niet nodig dat het een
heffingnaar dewinst isoplandeli]kniveau Ook een heffingnaar dewinst door een landsdeel provincie
ofregio gemeente wordt inaanmerking genomen Dewinstbelasting moet resulteren ineen naar
Nederlandse begrippenreele heffing Hierbij wordt beoordeeld ofhetbelastingstelsel passief inkomen
adequaatindewinstbelastingheffing betrekt Er isdus primair sprake van een stelselvergelijking Het
belastingregime waaraan dedochtervennootschapisonderworpen wordt vergeleken met het normale
Nederlandse vennootschapsbelastingregime Onderdelen dievergeleken moeten worden zi]n het
belastingtarief debelastinggrondslag enandere uitvoerings aspecten diedeuiteindelijke heffing
bepalen Deze drie aspecten bepalen namelijkinonderlinge samenhang wat deomvangvan de
uiteindelijke heffing defeitelijke onderworpenheidisWat betreft het tarief ishetuitgangspunt dat er
sprakeisvan een naar Nederlandse begrippenreele heffingals hetregulieretarief van een
winstbelastingten minste 10 isAls erverder geen sprakeisvan bijzondere grondslagafwijkingen of
andere afwijkingen die ertoe leiden datdeuiteindelijke heffing lager uitkomt dan 10 isdussprake van
voldoende onderworpenheid Met hetreguliere tarief van ten minste 10 wordt bedoeld dat hetnormale
statu aire tarief dat van toepassingisten minste 10 moet zijn Eventuele tariefsopstapjes of
afstapjesdievanwege dehoogtevan het tarief ofdelengtevan deschijf geen betekenisvolle invioed
hebben opdeuiteindelijke belastingdruk worden buiten beschouwing gelatenDitbetekent dat ergeen
sprakeisvan een reele heffingalsdoor toepassingvan een bijzonder regime geen heffing plaatsvindt
zoals hetgevalisbijhetregimevoor fiscale beleggingsinstellingenenhetregimevoor vrijgestelde
beleggingsinstellingen Indatgevalissprake van onvoldoende onderworpenheid alsgevolg van het 0
tarief respectievelijk debelastingvrijstelling Hetzelfde geldt uiteraard voor vergelijkbare buitenlandse
regimes Voor degrondslagvergelijkingisdejaarwinstbepaling hetuitgangspunt Afwijkingen van het
Nederlandse stelsel diegeen gevolgen hebben voor debelastingheffing over passief inkomen leiden er
niet toe datsprakeisvan onvoldoende onderworpenheid Ditbetreft inieder geval—verschillen in
afschrijving opbedrijfsmiddelen zoals machines engebouwen—verschillen ininvesteringsaftrekken
voor bedrijfsmiddelen zoals dekleinschaligheidsinvesteringsaftrek milieu investeringsaftrek ende
energie investeringsaftrek—verschillen inaftrekbeperkingen inzake kosten met een mogelijk
priveelement bijvoorbeeld zogenoemde Oortkosten—beperkte verschillen ineen zogeheten
tonnage regime Onder andere devolgende regelingen leiden erwel toe datsprake isvan een
stelselafwijking die resulteent inonvoldoende onderworpenheid—een tax holiday—een cost plus
benadering waarbij een zeer beperkte grondslag wordt gehanteerd—aanzienlijke
grondslagverminderingen vanwege fictieve kosten ofvrijstellingen—een van dewinst aftrekbaar
dividend—een vanuit Nederlandse optiek teruime deelnemingsvrijstelling bijvoorbeeld een
deelnemingsvrijstelling dieook van toepassingisbijbelangen van minder dan 5 ofopvoordelen uit
hoofde van een beleggingsdeelneming Ook defiscale behandeling van geldleningenisvan belang voor
degrondslagvergelijking Zo leidt een belastingstelsel datgeen renteaftrekbeperking kent tot
onvoldoende onderworpenheid Ditbetekent echter niet dat een ander belastingstelsel dezelfde
renteaftrekbeperkingen moet kennen alshet Nederlandse Erisook sprake van voldoende
onderworpenheidals een belastingstelselinplaatsvan het Nederlandse complexaan
renteaftrekbeperkingen bijvoorbeeldeen earningsstrippingregeling kent Een bijzonderesituatie betreft
kwalificatieverschillen inzake geldleningen Een belastingstelsel dat rente ophybride leningeninaftrek
toestaat terwiji Nederland die rente niet inaftrek zou toestaan leidt totonvoldoende onderworpenheid
Erisdan namelijk sprake van een situatie dievergelijkbaarismet een van dewinst aftrekbaar dividend
Wat betreft andere aspecten die deuiteindelijke belastingheffing beTnvIoeden staan onder andere de
volgende verschillen niet indeweg aan voldoende onderworpenheid—verschillen inverliesverrekening
bijvoorbeeld andere voort ofterugwentelingstermijnen—verschillen infiscale consolidatie enandere
mogelijkhedenvoor winst ofverliesoverdracht dieafwijkenvan deNederlandse fiscale eenheid tenzijals
gevolgvan deconsolidatie ofwinst ofverliesoverdracht grouprelief niet ofonvoldoende belastingzou
worden geheven wat wordt veroorzaakt door een stelselafwijking Voorbeeld Dochtervennootschap A
1769603 00027
belegt en isonderworpen aan een winstbelasting met een tarief van meer dan 10 zonder
stelselafwijking Aisdan voidoende onderworpen Doohtervennootsohap Bmaakt weigebruik van een
stelselafwiiking Als een fisoaai verlies van Bdat isontstaan door destelseiafwijkirg door middel van
consolidatie ofverliesoverdraoht wordt afgezet tegen debeleggingswinst van A isAtooh onvoldoende
onderworpen Onder andere devoigende regeiingen betekenen wei eenzodanige afwijking dat ergeen
sprakeisvan een naar Nederiandse begrippen reeie heffing—uitgestelde belastingheffing over de
winst bijvoorbeeld pas bijLiitdeiing van dewinst—een teruggave van winstbelasting bijuitkering van
dividend Als uitdestelselvergeliiking voIgt datsprake isvan een afwijking die totonvoldoende
onderworpenheid leidt bijvoorbeeld doordat sprake isvan een regulier tarief dat lager isdan 10 iser
nog demogelijkheid omaannemelijk temaken dat indatspecifieke geval tooh sprake isvan een naar
Nederiandse begrippen reeie heffing Ingeval van een tarief datlager isdan 10 kan ditzioh voordoen
alsdebelastinggrondslag breder isdan deNederiandse waardoor aannemelijkisdatdeeffectieve druk
ten minste 10 ofmeer bedraagt Ditvergt dat debuitenlandse belasting wordt afgezet tegen een naar
Nederiandse maatstaven bepaalde belastinggrondslag enimpliceeit dus een herrekening naar
Nederiandse maatstaven Hetzelfde kan zich voordoen alsbijvoorbeeld sprakeisvan een fictieve
kostenaftrek Ookdan leidt destelselvergelijking totonvoldoende onderworpenheid maar kan nog
aannemelijk worden gemaakt dat deeffectieve belastingdruk 10 ofmeer bedraagt Inditgeval hoefl
niet herrekend teworden naar Nederiandse maatstaven maar kan worden volstaan met het berekenen
van debelastingdruk zonder dat defictieve kostenaftrek inaanmerking wordt genomen Globaal bezien
kunnen erdus drie verschillende situaties worden onderscheiden waarin aan deminimaal vereiste
onderworpenheidisvoldaan 1Dewinstbelasting heeft een reguliertarief van ten minste 10 Erzijn
geen bijzondere grondslagafwijkingen ofandere afwijkingen2Dewinstbelasting heeft een regulier
tarief van ten minste 10 en erzijn wei bijzondere grondslagafwijkingen ofandere afwijkingen maar
het isaannemelijk datdeeffectieve druk ten minste 10 is3Dewinstbelasting heeft een regulier
tarief van minder dan 10 maar het isaannemelijk dat deeffectieve druk ten minste 10 isTot slot
wordt nog aandacht besteed aan dewerking van deonderworpenheidstoetsineen drietal
grensoverschrijdendesituaties Het betreft aohtereenvolgens desituatie dat dedochtervennootschapeen
vaste inrichting heeft desituatie dat dedochtervennootschap bronheffing verrekent terzake van een
inkomende interestbate endesituatie dat met betrekkingtotdedochtervennootschap sprakeisvan een
kwalificatieverschil Voor demate vanonderworpenheidvan een lichaam gevestigdinhet ene land met
een vaste inrichtingineen ander land kan een eventueel van toepassing zijnde regeling tervoorkoming
van dubbele belastingheffing van invioed zijn Ineen dergelijke situatie isdeonderworpenheid van het
lichaam deoptelsom van demate vanonderworpenheidinhetvestigingsland endemate van
onderworpenheidinhet land van devaste inrichting Alsdoor toepassingvan een regelingter
voorkomingvan dubbele belastingheffingeen deel van dewinst niet oflaag wordt belast kan opditpunt
sprake zijnvan een stelselafwijkingdie leidt totonvoldoende onderworpenheid Een voorbeeld hiervan is
defictieve winsttoerekening opgrondvan hetbelastingverdragverdrag tussen LuxemburgenZwitserland
tussen een inLuxemburg gevestigd hoofdhuis eneen Zwitserse vaste inrichting die zich met
financieringsactiviteiten bezig houdt Een regeling tervoorkoming van dubbele belastingheffing kan ook
van invioed zijn als een dochtervennootschap interest uithet buitenland ontvangt Insommige gevallen
zalhet desbetreffende buitenland een bronheffing inhouden Deze bronheffing zalveelal kunnen worden
verrekend met dedoor dedochtervennootschap verschuldigde winstbelasting Hoewel debronheffing de
uiteindelijk betaalde winstbelasting vermindert leidt deze verrekening niet totonvoldoende
onderworpenheid alsdewinstbelasting voor verrekening ten minste 10 bedraagt Detotale
belastingdruk wordt immers niet verlaagd Dit isanders alssprakeisvan eenzogenoemde taxsparing
credit Indatgeval wordt ernamelijk een bronheffing verrekend die niet feitelijk isgeheven ofwordt er
een hogere bronheffing verrekend dan feitelijk isgeheven Ineen dergelijk geval issprake van een
afwijking van het Nederiandse stelsel alsNederland ineen dergelijke situatie geen ofeen lagere tax
sparing credit zou hebben verleend Hetzelfde geldt voor bronheffingen opdividenden enroyaltysEris
sprake van een kwalificatieverschil als ervanuit Nederland bezien sprakeisvan een
dochtervennootschap van een Nederiandse belastingplichtige terwiji het land waarin diedochter is
gevestigd niet het lichaam zelf maarde achterliggende belanghebbende belast inditgeval de
Nederiandse belastingplichtige Ineen dergelijke situatie ishet lichaam voidoende onderworpen alsde
achterliggende belanghebbenden voidoende zijnonderworpen aan dewinstbelasting van het land waarin
het desbetreffende lichaam isgevestigd Ditpast bijdegedachte achter deonderworpenheidstoets dat
dewinst van dedochtervennootschap opadequate wijzeineen winstbelasting wordt betrokken Een
kwalificatieverschil kan zich ook indespiegelbeeldsituatie voordoen namelijkalsdebuitenlandse
dochter door Nederland als een transparent lichaam wordt gezienendoor het andere land als een
zelfstandig belastingplichtig lichaam Ditkan gevolgen hebben voor debeoordelingvan de
onderworpenheidvan een buitenlandse beleggingsdochterindien deze beleggingsdochter door een
Nederiandse moeder wordt gehouden via een vanuit Nederiandse optiek fisoaai transparant lichaam dat
door het andere land alszelfstandig belastingplichtig wordt gezien een zogeheten hybride lichaam Het
kwalificatieverschil kan incombinatie met een fiscale consolidatie inhetandere lard tussen het
buitenlandse hybride lichaam endebeleggingsdochter leiden totonvoldoende onderworpenheid
Voorbeeld Een Nederiandse moeder houdt een buitenlandse beleggingsdochtervia een vanuit
Nederiandse optiekfiscaal transparant lichaam Er isgeen sprakevan een vaste inrichtinginhetandere
land Het andere land behandelt dat lichaam alszelfstandig belastingplichtigniet transparant Het
1769603 00027
hybride lichaam maakt gebruik van een stelselafwijking Tedenken valt aan een fictieve kostenaftrek of
aan het inaanmerking nemen van een rentelast terwijl dedaaraan tengrondslag liggende schuld vanuit
Nederlandse optiek fiscaal niet bestaat Als een verlies van dithybride lichaam dat wordt veroorzaakt
door destelselafwijking via een fiscaai consolidatieregime wordt afgezettegen winsten van de
beleggingsdochterleidt dittotonvoldoende onderworpenheid ook alsdebeleggingsdochter zonder
toepassing van hetconsolidatieregime wel voldoende onderworpen zou zijn geweest KamerstLikken II
2009 10 32129 nr3p61 65 MvT
Bijiage Parlementaire behandeling IB2001 ’98
Forfaitair voordeel uitbuitenlandse beleggingslichamen Artikel 4511Bew thans art 413 onder c
[Bew later vernummerd totonderdeel aWet IBOlwijst alsregulier voordeel ook aan een forfaitair
voordeel uitaandelen in—winstbewijzen van—ofschuldvorderingen opbuitenlandse
beleggingslichamen Zo eralreden isdebuitenlandse beleggingslichamenindeaanmerkelijk
belangheffing tebetrekken—deRaad ziet deze niet zoals hiervoor istoegelicht—vergt het overnemen
van artikel 29a Wet IB64een kritische bilk DeRaad wijst erop dat dezeer complexe regeling van het
fictief rendement voor buitenlandse beleggingsmaatschappijen reeds bijdeparlementaire behandeling
meermalen detoezegging voor detoepassing van dehardheidsclausule heeft uitgelokt Deze
toezeggingen dienen bijdecontinuering van deregelinginartikel 4521Bew thans art 414 Wet
IB’Ol teworden gecodificeerd Deinmiddels opgedane ervaring kan daarbij worden betrokken Een
belangrijke toezegging tijdens deparlementaire behandeling voor detoepassing van de
hardheidsclausule isgeweest dat voor degevallen dat debuitenlandse vennootschap een met de
Nederlandse vennootschapsbelasting feitelijk overeenkomende belastingdruk kent het fictief rendement
niet zalgelden kamerstukken II1979 80 15516 nr11 p27en35 36 Deze toezegging tezamen
met hetgeeninartikel 29a eerste tweede envierde lidWet IB’64 isopgenomen leidt totdeconclusie
dat het fictief rendement niet geldt—voor allevennootschappen diegevestigd zijnineen staat die
over—ook—dealsbeleggingsopbrengsten gekwalificeerde baten een normaal teachten
vennootschapsbelastingtariefheft—voor deuitbreidingtotbinnenlandse vennootschappenindien de
vaste inrichting ofvertegenwoordiger gevestigdisineen staat die over—ook—de
beleggingsopbrengsteneen normaal teachten vennootschapsbelastingtariefheft—voor buitenlandse
vennootschappen waarvan defeitelijke werkzaamheden aanmerkelijk verschillen van beleggen of
daarmee overeenkomende werkzaamheden—voor buitenlandse vennootschappen waarvan de
bezittingen voor minder dan 50 bestaan uitbeleggingenVoor deonderwerping aan het fictief
rendement blijven aldus alleen over abeleggingsmaatschappijen waaronder begrepen
houdstermaatschappijendiegeen wezenlijkefunctie tenopzichtevan dewerkmaatschappijen vervullen
waarook inhet buitenland gevestigddie indevestigingsstaat onder een bijzonder regimevallen b
vennootschappeninbelastingoasendiealdaar niet ofnauwelijksactiviteiten ontplooienenwaarvan de
bezittingen voor meer dan 50 uitbeleggingen bestaan DeRaad adviseert deomschrijvirg van de
lichamen dieonder het forfaitair voordeel vallen tepreciseren Tevens dient ten aanzien van deze
bepaling teworden toegelicht omwelke reden bijdetussengeschoven binnenlandse vennootschappen
niet isgekozen voor devanovereenkomstige toepassing verklaring van deregeling van het forfaitair
voordeel indeelnemingsverhoudingen Het forfaitair voordeel wordt dan inde
vennootschapsbelastingheffing betrokken waartegenover deboekwaarde van departicipatieindie
buitenlandse beleggingsmaatschappij met eenzelfde bedrag wordt verhoogd Opdeze wijze komt de
fiscus ook aan zijn trekken DeRaad adviseert dekeuze van deheffingstechniektemotiveren’’De Raad
wijst opdecomplexiteit van deregeling voor fictieve inkomsten uitbuitenlandse beleggingslichamen en
meent dat debijeerdere parlementaire behandelingen gedane toezeggingen voor detoepassing van de
hardheidsclausule zouden moeten worden gecodificeerd Indeeerste plaats kan worden opgemerkt dat
dereikwijdte van deregeling van het fictieve rendement terzake van buitenlandse beleggingslichamen
sterk isbeperkt doordat zijnog slechts geldt voor aanmerkelijkbelanghouders Daarom isookgekozen
debestaande opzet van artikel 29a van deWet opdeinkomstenbelasting 1964 zoveel mogelijkte volgen
enniet een geheel nieuwe regeling optezetten Waar vereenvoudigingen mogelijk waren zijn deze
aangebracht Indetweede plaats isdaarbij van belang dat nagenoeg alletoezeggingen betrekking
hebben opmogelijke dubbele heffing terzake van voordelen uitdergelijke buitenlandse
beleggingslichamen namelijk enerzijds het fictieve rendement enanderzijds belasiingheffing over de
daadwerkelijk uitgekeerde voordelen dan wel behaalde vermogenswinsten Dergelijke dubbele heffing is
—alsgevolg van deophoging van deverkrijgingsprijs met het inaanmerking genomen fictieve
rendement—binnen hetaanmerkelijkbelangregime niet meer denkbaar Wat overblijftisdedoor de
Raad aangehaalde toezegging om debepalingvan het fictief rendement achterwegetelaten ingeval de
buitenlandse vennootschap een met deNederlandse vennootschapsbelasting feitelijk overeenkomende
belastingdruk kent Hoewel sinds deinvoering van artikel 29a van deWet opdeinkomstenbelasting
1964 slechts sporadisch opditpunt een beroepisgedaan opdehardheidsclausule hebben wijhet
advies van deRaad overgenomen Inartikel 4521Bew thans art 414 isdaartoe inhet achtste lid
een bepaling opgenomendiegedeeltelijkisontleend aan artikel 10a van deWet opde
vennootschapsbelasting 1969 Dealdaar gegeven invullingvan hetbegrip ’naar Nederlandse maatstaven
redelijke heffing’ geldtevenzeer voor artikel 4521Bew thans art 414 Vanwegehetalsnog
1769603 00027
opnemen van een met artikel 2A vierde lid van deWet opdeinkomstenbelasting 1964 vengelijkbare
bepaling voor schuldvonderingen artikel 4511Bew thans art 413 eerste lidonderdeel ekan de
toepassing van het forfaitaire rendement opschuldvorderingen achterwege blijven Voorts zijn alsnog
enkele onjuiste verwijzingeninartikel 4521Bew thans art 414gecorrigeerd Desuggestie van de
Raad om het fictieve rendement indesfeer van devennootschapsbelasting toe tepassenin
deelnemingsverhoudingenisniet overgenomen Deoorspronkeiijke doeisteiling van deregeiing voor het
fictieve rendement iaginhet creeren van een evenwichtten opzichte van debehandeiing van fiscaie
beleggingsinsteiiingen indezin van artikei 28van deWet opdevennootschapsbelasting 1969
Naderhand heeft deregeiing echter veeleer een antimisbruikkarakter gekregen Bezien vanuit delatere
ontwikkelingen ook wat betreft detoepassing van dedeelnemingsvrijstelling opdeelnemingen in
beleggingsmaatschappijen lijkt het niet passend om indesfeer van devennootschapsbelasting een
maatregel tetreffen dieook gevolgen heeft voorandere dan binnenlandse particLiliere
aanmerkelijkbelanghouders’Advies Raad van State enNader rapport Kamerstukken II1998 99 26
727 nrAp7677 ’Artikel 4521Bew thans art 414 isontleend aan artikel 29a van deWet op
deinkomstenbelasting 1964 Een inhoudelijke wijzigingisalthans ophoofdlijnen niet beoogd Het
artikel dient ertoe het fictieve rendement vast testellen dat bijhouders van een aanmerkelijk belang in
een buitenlandse beleggingsvennootschap inaanmerking dient teworden genomen Ten opzichte van
hetregime van deWet opdeinkomstenbelasting 1964 isderegeiing sterk vereenvoudigd Ergeldt thans
slechts een percentage 4dat van toepassingisopdevermogensbestanddelen die tot een aanmerkelijk
belang behoren Belangrijke vereenvoudigingisvoorts dat detegenbewijsregelingniet isovergenomen
Voor het niet overnemen van deze gecompliceerdeenlastig Jitvoerbare regeiingisomtwee redenen
gekozenIndeeerste plaatsstaan debezwaren die aan deze regeiing kleven ingeen verhojdingtot het
effect van het fictieve rendement Doordat deverkrijgingsprijs van deaandelen winstbewijzen en
schuldvorderingen waarop het fictieve rendement istoegepast wordt verhoogd met het inaanmerking
genomen fictieve rendement isover degehele bezitsperiode gerekend immers slechts sprake een
verschuivingindetijd Daarnaast wordt door detoepassing van het fictieve rendement totopzekere
hoogteeen evenwicht bereikt tenopzichtevan debehandeiingvan debeleggerdiegeen aanmerkelijk
belangheeft indebuitenlandse beleggingsvennootschap Voor deze belegger bestaat evenmin de
mogelijkheideen vorm vantegenbewijsteleveren MvT Kamerstukken II1998 99 26727 nr3p
205 207 Opdevraagvan deCDA fractie ofdeleden 45en8van artikel 4521Bew thans art
414 Wet IBOlniet beter thuishoren inhetvoorafgaande artikel kan worden opgemerkt dat daar
wetssystematisch zeker wat voor valt tezeggen maar dat hetopnemen van deze bepalingeninartikel
4521Bew thans art 414 Wet IBOldeoverzichtelijkheid tengoede komt Opdeze wijze staan alle
bepalingendiebetrekking hebben ophet forfaitaire voordeel uitbuitenlandse beleggingsmaatschappijen
bijeen’NV Kamerstukken II1999 2000 26727 nr7p515 Parlementaire behandeiingIB1964
Vervolgens merk ikopdat hetdoor velen gemaakte onderscheid indegrondslagenvan deregeiing het
bewerkstelligenvan een gelijke behandeiingvan beleggersinbinnen enbuitenlandse
beleggingsmaatschappijen enhetbestrijden van belastingviucht via inhet buitenland gevestigde
vennootschappen waarin debeleggingsopbrengsten worden opgepot minder wezenlijkisdan wordt
verondersteld Zowel een kleinaandeelhouder ineen grote buitenlandse beleggingsmaatschappij een
groeifonds als een grootaandeelhouder ineen door hem opgerichte vennootschap gevestigd ineen land
met een relatief lage winstbelasting voor ditsoort lichamen spelen bewust ofonbewust—zijhet inhet
algemeen opeen andere schaal—inophet verschil inhetbelastingregimeinNederland enhet land van
vestiging van debuitenlandse vennootschap Het daarbij door aandeelhouders indiemaatschappijen
behaalde voordeel isinwezen gelijk Hetvoorgestelde artikel 29a beoogt dan ook hetobjectief te
bepalen voordeel ingeval van oppotting door buitenlandse vennootschappen van beleggingsopbrengsten
tetreffen NEV Kamerstukken II1979 80 15516 nr11 p17 Deleden van defracties van hetCDA
endeSGP brengen naar voren dat deregeiing van art 29a reeds geldt voor dehouder van een enkel
aandeel ineen buitenlandse beleggingsmaatschappij hetgeen—zomerken deleden van deCDA fractie
met KHvan der Linden Bew WFR 1979 5420 p981 evop—terecht isuiteen oogpunt van
gelijke behandeiing van een aandeelhouder ineen binnenlandse eneen aandeelhouder ineen
buitenlandse beleggingsmaatschappij Genoemde schrijveris—zostellen laatstgenoemde leden vender
—van mening dat indien deregeiing van art 29a uitsluitend ten doel heeft constructies tebestrijden
dewerking van dat artikel beperkt zou moeten blijven totgevallen waarin de constructeurs een
beslissende invioed opdeuitdelingspolitiek van debuitenlandse beleggingsmaatschappij hebben Deze
leden vragen mijn oordeel hierover Uitdethans bestaande—sinds 1970 geldende—tekst van art 29a
alsmede uitdetekst van het inbehandeiing zijnde wetsontwerpendedaarop betrekking hebbende
memories valt duidelijkafteleiden dat art 29a isbedoeld voor iedere belastingplichtigedie een aandeel
ineen onder dewerkingvan ditartikel vallende maatschappij heeft ongeacht ofhijaldan niet
beslissende stem heeft ofkan hebben indeuitdelingspolitiekvan diemaatschappij Reeds hiervoren—
inhet onderdeel Algemeen van deze nota—heb ikerop gewezen dat ergeen wezenlijk onderscheid is
tussen het voordeel dat wordt behaald door een kleinaandeelhouder ineen grote buitenlandse
beleggingsmaatschappij een groeifonds enhetvoordeel dat wordt behaald door een
grootaandeelhouderineen door hem opgerichte vennootschapineen land met een relatief lage
winstbelastingvoor ditsoort lichamen Het maakt immers niet uitofhet voordeel wordt behaald door
oppottingvan debeleggingsopbrengstenineen eigen beleggingsmaatschappij dan wel door participatie
ineen beleggingsmaatschappijwaarvan degebruikelijkeenbekende gedragslijnisdatzijhaar
1769603 00027
beleggingsopbrengsten oppot Zonder dat ersprakeisvan een wezenlijke invioed opdeuitdelingspolitiek
kan een kleinaandeelhouder erzeker van zijn dat het lichaam een uitdelingspolitiek voIgt die
overeenkomt met zijn voorkeur voor oppotting van debeleggingsopbrengsten Ikziedan ook geen reden
om inafwi]king van het bestaande art 29a een beperking van dewerking van hetvoorgestelde art 29a
aan tebrengen welke inhoudt dat alleen aandeelhouders die een wezenlijke invioed hebben opde
uitdelingspolitiek van het lichaam daaronder komen tevallen NEV Kamerstukken II1979 80 15516
nr11 p22
Scriptie
Het forfaitair rendement inEuropees perspectief Auteur MMAHarmsen Studentnummer 5776945
Telefoonnummer 0658SS7548 Inleverdatum 25]uli 2010 Opieiding Fiscale Economie Faculteit FEB
Universiteit UVA Eerste beoordelaar Prof drDMWeber Tweede beoordelaar nnb1Inhoudsopgave
Voorwoord
1Inleiding
Forfaitair rendement Wet IB01
Inhoud van artikel 413Wet IBOl
Vereisten
van artikel 414Wet IBOl3
42
621
6211
622Inhoud
7221Lid 1
7222Leden 2
823Voorheffing
924Doel en
10241
10242Fiscale
11243Bescherming
113Fictief rendement Wet IB
1231Inhoud van het artikel
12311tm10
strekking
Uitdelingsprikkel
neutraliteit
van defiscale beleggingsinstelling
64
Vereisten
gelijkenissenenverschillen
strekking
neutraliteit
Uitdelingsprikkel
tussen oud ennieuw1232Overige
1333Doel en
14331Fiscale
14332
144Vergelijking
155Europese toetsing
1651Werkingvan Europees
recht
Verdragsvrijheden
verkeer vangoederen
van personen
diensten
betalingsverkeer1652
16521Vri]
17522Vrij verkeer
17523Vrij verkeer van
18524Vrij kapitaal en
1853Toetsing
1854
Tussenconclusie
Rangorde
Meerdere verdragsvrijheden2426
2561
2562Bosal
2663Cadbury
Schweppes
Tussenconclusie
landen
bepaling
Wet IBOlendestandstill bepaling2664
277Derde
2871Standstill
2872Artikel 414
2973Tussenconclusie
328Conclusie
33Literatuurlijst
363Voorwoord
Deze scriptie isgeschreven terafsiuiting van destudie Fiscale Economie aan deUniversiteit van
Amsterdam Door deveelzijdigheid van deze studie vennootschapsbelasting inkomstenbelasting
loonbelasting nationaal europees irternationaal enzovoort had ikeen breed zoekgebied waaruit ik
een onderwerp voor mijn scriptie kon halen Dit klinkt positief maar heeft helaas meerder keren inmijn
nadeel gewerkt Het eneonderwerpwas tebreed over het andere was alteveel geschrevenHet vinden
van een geschikt onderwerp bleek moeilijker dan gedacht Totdat mijn collega Marc Steinbusch mij wees
ophet forfaitaire rendement uitdeinkomstenbelasting Dit artikel uitdeinkomstenbelasting bleek
meerdere discussiepunten tebevatten Toen Rechtbank Den Haagindezelfde periode tevens een
uitspraak deed inzake deEuropeesrechtelijke houdbaarheid van het forfaitaire rendement was mijn
interesse gewekteneen interessante vraagstellingalsnel bedacht Een voorwoord wordt vaak gebruikt
om mensen persoonlijktebedanken Om tevoorkomen dat ikiemand vergeetwil ikhierbij iedereen
bedanken die inwelke mate dan ook heeft bijgedragenaan het totstand komen van deze scriptie
1769603 00027
Echter gaat erbijwijze van uitzondering een bijzonder woord van dank uitnaar Wolfram Uitterlinden
[mijn vriend tijdens mijn studio eninmiddels echtgenoot Hijheeft mijgesteund endevrijheid gegeven
voldoende tijd tekunnen steken indegehele studie Tijdens hetschrijven van descriptieverd iksteeds
enthousiaster enwilde iksteeds meer weten over het forfaitaire rendement Ikhoop dat een ieder die
deze scriptieleest net zoveel plezierenleermomenten ervaart alsdat ikhebgekend tijdens de
voorbereidingen hetonderzoek enhet samenstellen van deze scriptie 41Inleiding Het forfaitair
rendement uitaanmerkelijk belangineen niet inNederiand gevestigde beleggingsvennootschap Deze
zinsnede kwam ikoniangstegen ineen uitspraak van Rechtbank Den Haag Deze procedure ziet opde
regeling van het forfaitaire rendement uitgewerkt indeartikelen 413 lid1onderdeel aen414Wet
inkomstenbelasting 2001 vender Wet IBOl envindt haar oorsprong inartikel 29a Wet
inkomstenbelasting 1964 vender Wet IB64 Rechtbank Den Haag beslist indeze procedure dat het
forfaitaire rendement niet instrijdismet hetEuropese Recht Procedures met betrekking tothet
forfaitaire rendement lijken betrekkelijk zeidzaam tezijn Vandaar datdeze klaarblijkelijk zo inhetoog
springt Dit isechter wat mij betreft niet hetenige opvallende aan deze uitspraak Een
Europeesrechtelijke toets isvaakgeen eenvoudig proces echter indeze uitspraak lijkt dit zoklaar als
een klontje Omdat ikbetwijfel ofhetEuropese Hof van Justitie dezelfde mening istoegedaan als
Rechtbank Den Haag wordt devraag ofhet forfaitaire rendement uitartikel 413 lid1onderdeel aWet
IBOl instrijdismet het EG recht inditonderzoek nogmaals behandeld Mijn uitgangspuntisdesituatie
zoals ingenoemde uitspraak van Rechtbank Den Haag Deze casus eneen bijna vergelijkbare situatie zal
iktoetsen aan hetEuropeserecht Devolgende twee situaties zullen inditonderzoek getoetst worden
Situatie 1Situatie 2100 Aandeelhouder NL 100 Aandeelhouder NL Forfaitair rendement
Forfaitair rendement artikel 413 lid1ond aartikel 413 lid1ond a414Wet IBOl414Wet IBOl
Situatie 1Dit betreft een Nederlandse aandeelhouder met een 100 belangineen
beleggingsvennootschap gevestigdinCyprus een laagbelast land Later zalblijken dat deze situatie
getoetst kan worden aan devrijheid van vestiging Situatie 2Dit betreft desituatie zoals inde
Rechtbank Den Haag uitspraak Een Nederlandse aandeelhouder bezit 100 ineen
beleggingsvennootschap opdeNederlandse Antillen Inzijn aangifte inkomstenbelasting wordt het
forfaitaire rendement van artikel 413 lid3onderdeel aWet IBOltoegepast Zoals later indit
onderzoek wordt onderbouwd kan deze casus slechts instrijd zijn met het vrije verkeer van kapitaalDit
gezier het feit dat ersprakeisvan een land buiten deEuropese Unie namelijk deNederlandse Antillen
BeleggingsvennootschapinCyprus Beleggingsvennootschap Nederlandse Antillen 5Vanwege de
complexiteit van deartikelen 413 lid1onderdeel aen414Wet IBOlwordt gestart met een uitleg van
het forfaitaire rendement Om deverdragsvrijheid vrijheid van kapitaalverkeer tekunnen toetsen ishet
van belangtebepaleninhoeverre deze regelingalbestond v66r 31december 1993 Daarom zaltevens
hetoude artikel 29a Wet IB64 waaruit het forfaitaire voordel isvoortgekomen worden besproken
VervolgenszaldeEuropeesrechtelijke toetsingaan bod komen Dit betreft doorgaanseen uitgebreide
toets waarin zaken alsverdragstoepassing verdragsvrijhedenenrechtvaardigingsgrondeneen
belangrijke rolspelen Nadeze uitgebreide toetsingisechter dehoofdvraag nog niet volledig
beantwoord Situatie 1wordt getoetst aan devrijheid van vestiging Om situatie 2te kunnen toetsen
aan devrijheid van kapitaalverkeer dienen nog twee hobbels teworden genomen teweten het
vraagstuk met betrekking tot een eventuele rangorde van verdragsvrijheden endestandstill bepaling
met betrekking totderde landen Alvorens tot een conclusie tekomen wordt hier uitgebreid aandacht
aan besteed Uiteindelijk voIgt een slotconclusie inzake beide situaties Uiteraard isdetekst van dewet
een belangrijk gegeveninditonderzoek Tevens wordt uitgegaan van hetcommentaar opdewet enzijn
passagesuitdiverse Kamerstukken van belang Teronderbouwing zijn diverse arresten geraadpleegd en
auteurs diegeargumenteerd verschillende stellingen hebben ingenomen Deze bronnen worden slechts
gebruikt terondersteuning van deargumenten inditonderzoek Gegeven deze argumenten zal
uiteindelijk een heldere conclusie ontstaan 62Forfaitair rendement Wet IBOlHetaanmerkelijk belang
wordt uitgelegdinafdeling 44Wet IBOlWanneer een persoon aldan niet samen met zijn partner
direct ofindirect ten minste 5 van hetgeplaatste aandelenkapitaalinzijn bezit heeft issprake van een
aanmerkelijk belang volgens artikel 46Wet IBOl 1Inartikel 413Wet IBOlworden vervolgens
reguliere voordelen uitaanmerkelijk belang genoemd welke onderhevig zijn aan een tarief van 25 Het
forfaitaire rendement uitbuitenlandse beleggingsvennootschappeniseen van deze voordelen 221
Inhoud van artikel 413Wet IBOlHet eerste reguliere voordeel namelijk het forfaitaire rendement
wordt inartikel 413 lid1onderdeel aWet IBOlalsvoIgt omschreven een forfaitair voordeel uit
aandelen inofwinstbewijzen van een lichaam datingevolge artikel 6avan dewet opde
vennootschapsbelasting 1969 isvrijgesteldvan deheffingvan vennootschapsbelasting alsmede een
forfaitair voordeel uitaandelen inofwinstbewijzenvan een niet inNederland gevestigde vennootschap
waarvan hetkapitaal geheel ofgedeeltelijkinaandelen isverdeeld enwaarvan debezittingen
grotendeelsdirect ofindirect bestaan uitbeleggingen 3211Vereisten Inbovenstaand citaat uit
artikel 413 lid1onderdeel aWet IBOllees ikdrie vereisten Deze vereisten zullen afzonderlijk worden
besproken 1Aandelen inofwinstbewijzen van een vrijgesteld artikel 6abeleggingslichaam ofeen niet
inNederland gevestigde vennootschap 4Onder deeerste vereiste ishettevens van belang dat deze
regeling slechts van toepassingiswanneer het een natuurlijk persoonbetreft welke aandelen dan wel
winstbewijzenbezit Het feit dat deaandelen ofwinstbewijzeneenaanmerkelijk belang dienen te
vormen iseerder albenadrukt 52Kapitaal geheel ofgedeeltelijkinaandelen isverdeeld Dit betreft een
heldere eis welke geen nadere toelichting behoeft 1Dit betreft eenvereenvoudigde weergavezie
1769603 00027
Geef een reactie