1769596

AI-samenvatting

In deze uitspraak wordt behandeld of B zich kan kwalificeren als buitenlandse belastingplichtige en of de hypotheekrente van B aan A kan worden toegerekend. De Hoge Raad oordeelt dat B geen recht heeft op deze kwalificatie, aangezien de inkomsten van B aan Nederland zijn toegewezen.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Publicatiedatum**
02 2016

**Geldigheidsperiode**
Kennisgroep
IBR IB niet winst LB

**Categorie**
Wet IB

**Rubriek**
buitenlandse belastingplicht

**Sub rubriek**
kwalificerende buitenlandse belastingplichtige

**90% criterium en non-discriminatiebepaling**

**Vraag**
Stel A en B zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Ze wonen in België en hebben aldaar een eigen woning. Het inkomen van A is 100.000 en is volledig belast in Nederland. Het inkomen van B is 20.000, waarvan 15.000 belast is in België en 5.000 in Nederland. B is aan te merken als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige op grond van art. Wet IB 2001, maar kwalificeert niet, ook niet wanneer het gezinsinkomen in ogenschouw wordt genomen. Dat zorgt er in principe voor dat, omdat A en B geen fiscale partners zijn voor de Wet IB 2001, de helft van de hypotheekrente (negatieve inkomsten uit eigen woning) het deel van B niet kan worden toegerekend aan A. Kan op basis van de non-discriminatiebepaling in het verdrag met België (art. 26) de helft van de negatieve inkomsten eigen woning van B niet toch aan A worden toegerekend?

**Antwoord**
Neen, B kan een beroep doen op art. 26 lid Belastingverdrag NL-België, omdat B zelf inkomsten geniet die op grond van de bepalingen van hoofdstuk III van het verdrag ter heffing aan Nederland zijn toegewezen (zie hieronder). Daardoor kan B als partner aangemerkt worden en is de vrije toerekening van art. 17 Wet IB 2001 ook van toepassing. Maar betekent dat ook dat de negatieve inkomsten uit eigen woning van B aan A kunnen worden toegerekend? Art. 26 lid Belastingverdrag NL-België luidt: Natuurlijke personen die inwoner zijn van een van de verdragsluitende Staten en die voordelen of inkomsten uit de andere verdragsluitende Staat verkrijgen die ingevolge de bepalingen van hoofdstuk III van dit Verdrag ter heffing aan die andere Staat zijn toegewezen, hebben bij de belastingheffing in laatstbedoelde Staat in de mate waarin die voordelen en inkomsten deel uitmaken van het wereldinkomen recht op dezelfde persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin als inwoners van die andere Staat, voor zover zij overigens in gelijke omstandigheden verkeren als inwoners van die Staat. De Hoge Raad heeft in HR 20 12 2000, ECLI NL HR 2000 AA9098, uitgemaakt dat de eigen woning geen persoonlijke aftrek, tegemoetkomingen of vermindering uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin is.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *