AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of kosten voor reizen naar derde landen naast de 30-regeling vrij vergoed kunnen worden. Het besluit stelt dat kosten voor het reizen naar het land van herkomst als extraterritoriale kosten worden beschouwd, terwijl woon-werkverkeer niet als ET-kosten kwalificeert.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Documenttitel: 1769589**
**30% regeling en vergoeding kosten**
**Vraag Feitencomplex**
Een buitenlandse bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap, van wie het heffingsrecht over het loon aan Nederland is toegerekend, maakt gebruik van de 30% regeling. De bestuurder maakt behalve tussen zijn woonland en Nederland ook veel reizen naar andere landen om zijn functie te vervullen. In hoeverre kunnen de kosten van deze reizen naar derde landen naast de 30% regeling vrij vergoed worden? Moeten deze kosten allemaal als ET-kosten gekwalificeerd worden of kunnen deze kosten wel vrij vergoed worden naast de ET-kosten van de bestuurder?
**Antwoord Kennisgroep**
Er moet beoordeeld worden of sprake is van woon-werkverkeer of van reizen naar het land van herkomst. Woon-werkverkeer kwalificeert niet als ET-kosten, waardoor deze kosten naast de 30% regeling vrij vergoed kunnen worden. Er is sprake van woon-werkverkeer als er binnen 24 uur op en neer van huis naar werk gereisd wordt of als er sprake is van een ambulante werknemer. Om dit laatste te beoordelen is de 20 dagenregeling in het Handboek loonheffingen, paragraaf 20, van belang.
**Beschouwing**
Kosten voor het reizen naar het land van herkomst worden beschouwd als extraterritoriale kosten. De kosten voor grensoverschrijdend woon-werkverkeer, het heen en weer reizen van woon naar werkplaats, vormen geen extraterritoriale kosten; hierop is een specifieke gerichte vrijstelling van toepassing (art. 31a lid onderdeel LB). Ook de reizen van een werknemer met een ambulante functie (dienstreizen) vormen geen extraterritoriale kosten; op deze kosten is namelijk ook een gerichte vrijstelling van toepassing (art. 31a lid onderdeel LB).
Om te bepalen of er sprake is van een dienstreis of een ‘extraterritoriale reis’ is de 20 dagenregeling van belang. Naast de 20 dagenregeling is ook de vraag of er sprake is van tijdelijke uitzending van belang om te beoordelen of er sprake is van een dienstreis.
**20 dagenregeling**
Een werknemer is ambulant en zijn reiskosten kwalificeren dus niet als ET-kosten als hij op maximaal 20 dagen ten minste één dag per week heen en weer reist tussen zijn woning en dezelfde arbeidsplaats. Het maximum van 20 dagen moet bezien worden ten opzichte van een referentieperiode. De referentieperiode begint in de week waarin de werknemer voor het eerst naar zijn arbeidsplaats reist en eindigt in de week waarin hij voor het laatst naar zijn arbeidsplaats reist. Bij lange onderbrekingen begint de referentieperiode opnieuw. Er is sprake van een lange onderbreking in één van de volgende drie gevallen:
– of meer aansluitende weken anders dan wegens verlof of ziekte in een periode van 26 weken of minder,
– of meer aansluitende weken anders dan wegens verlof of ziekte in een periode van meer dan 26 weken,
– of meer aansluitende weken.
Naast de 20 dagenregeling is een werknemer ook ambulant als hij gedurende een week vanuit zijn woning naar steeds verschillende arbeidsplaatsen reist.
**Uitzending**
Er is geen sprake van een uitzending en dus geen sprake van extraterritoriale kosten voor de reis als de werknemer binnen een periode van 12 maanden korter dan 60 dagen bij een concernonderdeel in het buitenland wordt tewerkgesteld. Er kan wel sprake zijn van een uitzending als de werknemer voor een langere tijd bij een concernonderdeel wordt tewerkgesteld of in het buitenland op projectbasis wordt tewerkgesteld.
Geef een reactie