1769174

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of dividendbelasting kan worden ingehouden indien een opbrengstgerechtigde achteraf een schriftelijke verklaring afgeeft. Het antwoord is negatief; de verklaring moet voorafgaand aan de uitkering worden afgegeven om inhouding te voorkomen.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
Kennisgroep
Dividendbelasting
VERTROUWELIJK

**Helpdeskvraag**
Dividendbelasting, vermeld hier artikel en uit de wet DB en een paar kernwoorden
**Datum inbreng**: januari 2017

**Vraag**: Kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven indien een opbrengstgerechtigde achteraf een schriftelijke verklaring aan de inhoudingsplichtige afgeeft als bedoeld in artikel 11b Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965?

**Antwoord**: Nee, de verklaring dient vooraf te zijn afgegeven aan de inhoudingsplichtige.

**Wettelijke kader**:
Artikel 12a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) luidt:
Ingeval de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen krachtens erfrecht heeft verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater door die belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen of uit aandelen of winstbewijzen van dezelfde soort in dezelfde vennootschap op verzoek in afwijking van artikel 12 niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen van die soort in die vennootschap. Voor de toepassing van de eerste volzin blijft inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij de erflater ingevolge artikel als te conserveren inkomen is aangemerkt en waarvoor ten tijde van het genieten van de reguliere voordelen nog uitstel van betaling loopt, buiten beschouwing.

Artikel 4e van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) luidt:
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan inhouding van belasting achterwege mag blijven ten aanzien van de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, voor zover de opbrengstgerechtigde met betrekking tot die opbrengst verzoekt om toepassing van artikel 12a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 11b Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 luidt:
Op grond van artikel 4e van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat hij met betrekking tot dat dividend een verzoek zal doen om toepassing van artikel 12a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

**Beschouwing**:
Op grond van artikel 12a Wet IB 2001 kan een erfgenaam onder voorwaarden ervoor kiezen om voordelen uit een aanmerkelijk belang in mindering te brengen op de verkrijgingsprijs, waardoor hij nog geen inkomstenbelasting verschuldigd is over dit inkomen. De gedachte daarachter is gelegen in het voorkomen van mogelijke liquiditeitsproblemen bij de erfgenaam.

Om te voorkomen dat de erfgenaam ondanks de facilitering in de inkomstenbelasting wordt geconfronteerd met liquiditeitsproblemen in de dividendbelasting, is artikel 4e in de Wet DB opgenomen. Op grond van die bepaling mag inhouding van dividendbelasting achterwege blijven indien de opbrengstgerechtigde opteert voor toepassing van artikel 12a uit de Wet IB 2001. De inhoudingsplichtige weet echter niet of de opbrengstgerechtigde erfgenaam ook daadwerkelijk zal opteren voor toepassing van die bepaling.

Daarom is in artikel 11b van de uitvoeringsbeschikking bepaald dat de opbrengstgerechtigde voorafgaand aan de uitkering een schriftelijke verklaring moet afgeven aan de inhoudingsplichtige. Dat die verklaring vooraf moet worden afgegeven ligt ook voor de hand, aangezien achteraf niet meer tot inhouding kan worden besloten. Zonder die verklaring vooraf is er op het moment van de uitkering dan ook gewoon sprake van inhoudingsplicht. De behandelaar zal zelf moeten beoordelen hoe dit gestalte krijgt in deze casus en een oordeel vellen over de beboetbaarheid van het achterwege laten van de inhouding.

**Overwegingen van interne aard**:
De kennisgroep zal dit antwoord delen met de Kennisgroep aanmerkelijk belang. Verder geeft de Kennisgroep dividendbelasting in overweging om te bekijken of een voorlopige aanslag inkomstenbelasting met verrekening van de bovenstaande voorheffing tot de mogelijkheden behoort om de liquiditeitspijn te verzachten.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *