1767964

AI-samenvatting

De kennisgroep Premieheffing Inhouding/Wtl heeft vragen gesteld over de toepassing van een arrest van de Hoge Raad met betrekking tot de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor kleine werkgevers, in het kader van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). De inspecteur kan dit arrest niet toepassen op al onherroepelijk vaststaande afdrachten, conform paragraaf 23, twaalfde lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB). Dit houdt in dat de inspecteur geen discretionaire bevoegdheid heeft om hiervan af te wijken. De regeling in het BFB staat echter wel afwijkingen door de Staatssecretaris toe in bijzondere situaties. De kennisgroep concludeert dat aanpassing van het BFB niet nodig is.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

De kennisgroep Premieheffing Inhouding/Wtl heeft vragen gesteld over de toepassing van een arrest van de Hoge Raad met betrekking tot de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor kleine werkgevers, in het kader van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). De inspecteur kan dit arrest niet toepassen op al onherroepelijk vaststaande afdrachten, conform paragraaf 23, twaalfde lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB). Dit houdt in dat de inspecteur geen discretionaire bevoegdheid heeft om hiervan af te wijken. De regeling in het BFB staat echter wel afwijkingen door de Staatssecretaris toe in bijzondere situaties. De kennisgroep concludeert dat aanpassing van het BFB niet nodig is.

**Documenttitel: 1767964**

**Belastingdienst**

**MEMO**

**Onderwerp**
Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Wfsv

**Vragen**
De kennisgroep Premieheffing Inhouding/Wtl heeft aan de kennisgroep Formeel Recht de volgende twee vragen gesteld met betrekking tot werkgevers die zijn ingedeeld als kleine werkgever voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas als bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv):
1. Kan de inspecteur een arrest van de Hoge Raad inzake de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas ook toepassen op afdrachten op aangiften loonheffingen die op de dag vóór het arrest al onherroepelijk vaststonden en daarmee dus afwijken van paragraaf 23, twaalfde lid, Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB), omdat anders een inbreuk wordt gedaan op de systematiek van de Wfsv?
2. Zo nee, moet het BFB aangepast worden aan deze systematiek?

**Antwoorden**
1. Nee.
2. Nee.

**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
De kennisgroep Premieheffing Inhouding/Wtl loopt tegen de situatie aan dat een kleine werkgever binnen één kalenderjaar te maken kan krijgen met twee verschillende indelingen en twee verschillende premiepercentages. Dit verhoudt zich niet goed tot de systematiek van de Wfsv. Op basis van de Wfsv kan de indeling en de premie van de werkgever niet gedurende het jaar wijzigen.
De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor een kleine werkgever, anders dan voor een middelgrote en grote werkgever, niet bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld. Een kleine werkgever ontvangt een mededeling voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas, waartegen geen bezwaar openstaat. Een kleine werkgever moet bezwaar maken tegen de inhouding, en wordt beperkt tot tijdvakken die niet reeds onherroepelijk vaststaan.

**Naam dienstonderdeel**
Kennisgroep Formeel Recht

**Contactpersoon**
m 06 | 5.1.2e | @belasungdienst.nl

**Datum**
28 juni 2019

**Versienummer**
19-206-0029

Een en ander kan echter niet tot de conclusie leiden dat paragraaf 23, twaalfde lid, BFB buiten toepassing moet worden gesteld. De inspecteur is gehouden om begunstigende beleidsregels eng, althans niet ruim, uit te leggen. Paragraaf 23, twaalfde lid, BFB luidt als volgt:
“Een arrest van de Hoge Raad dan wel een beleidsbesluit mijnerzijds waarin een toepassing van de belastingwet besloten ligt die voor de belanghebbende gunstiger is dan de bij de heffing van de belasting gevolgde toepassing, leidt niet tot het ambtshalve verlenen van een vermindering of teruggaaf van belasting indien de belastingaanslag, de voldoening op aangifte of de afdracht op aangifte onherroepelijk is komen vast te staan vóór de dag, waarop het arrest door de Hoge Raad is gewezen, onderscheidenlijk vóór de dagtekening van het beleidsbesluit of andere schriftelijke aanwijzing, tenzij ik op dit punt een afwijkende regeling heb getroffen.”
De regeling wordt dwingend voorgeschreven; er staat immers “leidt niet”. Dit houdt in dat de inspecteur op dit punt geen discretionaire bevoegdheid heeft. Dat deze regeling zich niet schijnt te verhouden tot de systematiek van de Wfsv is evenmin reden om van deze regel af te wijken.
Het niet binnen de daarvoor gestelde termijn bezwaar maken ligt in de risico’sfeer van de werkgever. In de ambtshalve sfeer heeft de inspecteur geen ruimte om aan een (terecht) verzoek tegemoet te komen, omdat het bepaalde in paragraaf 23, twaalfde lid, BFB dit verbiedt.
Het voorgaande neemt echter niet weg dat het BFB voorziet in de mogelijkheid voor de Staatssecretaris om van het bepaalde in paragraaf 23, twaalfde lid, BFB af te wijken. Dit komt tot uitdrukking in de zinsnede “tenzij ik op dit punt een afwijkende regeling heb getroffen.” zoals opgenomen in de betreffende paragraaf. Dat de staatssecretaris kan afwijken van de regels van paragraaf 23 BFB volgt ook uit paragraaf 23, vijftiende lid, aanhef en onderdeel b, BFB, waarin het volgende is bepaald:
“Er kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin de inspecteur moet afwijken van de in dit onderdeel opgenomen regeling. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:
(..-)
b. Als ik in een beleidsbesluit een bijzondere regeling heb getroffen.”
Gelet op deze bestaande afwijkingsmogelijkheden, vindt de kennisgroep het niet nodig om het BFB aan te passen.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *