AI-samenvatting
De dwangsombeschikking moet alsnog worden afgegeven, ondanks het verstrijken van de termijn van twee weken zoals voorgeschreven in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursorgaan blijft verplicht om de dwangsombeschikking te formaliseren, ongeacht het late verzoek van de belanghebbende. Verjaring van het recht op uitbetaling van de dwangsom is niet aan de orde, aangezien de verjaringstermijn pas begint te lopen na de bekendmaking van de dwangsombeschikking. Het bestuursorgaan kan zich niet beroepen op verjaring om het afgeven van de dwangsombeschikking te weigeren.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
De dwangsombeschikking moet alsnog worden afgegeven, ondanks het verstrijken van de termijn van twee weken zoals voorgeschreven in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursorgaan blijft verplicht om de dwangsombeschikking te formaliseren, ongeacht het late verzoek van de belanghebbende. Verjaring van het recht op uitbetaling van de dwangsom is niet aan de orde, aangezien de verjaringstermijn pas begint te lopen na de bekendmaking van de dwangsombeschikking. Het bestuursorgaan kan zich niet beroepen op verjaring om het afgeven van de dwangsombeschikking te weigeren.
**Documenttitel: 1707548**
**Belastingdienst**
Naam dienstonderdeel: Kennisgroep Formeel Recht
Contactpersoon: [GEANONIMISEERD]
MEMO
Dalum
25 januari 2019
Versienummer: 19-206-0003
Onderwerp: Termijn voor het (alsnog) afgeven van een dwangsombeschikking en verjaring.
**Casus**
Belanghebbende stelt de inspecteur kort na het verstrijken van de beslistermijn in gebreke wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De ingebrekestelling is ingediend op [GEANONIMISEERD] 2017. Opl [GEANONIMISEERD] 2017 wordt uitspraak op het bezwaarschrift gedaan. De ingebrekestelling is wel ingeboekt in GBV, maar is niet doorgestuurd naar het team dat de ingebrekestellingen behandelt. Als gevolg hiervan is de ingebrekestelling -ten onrechte- niet in behandeling genomen. De adviseur van belanghebbende vraagt vervolgens op [GEANONIMISEERD] 2018 – ruim een jaar later – om het bedrag van de verschuldigde dwangsom (van € [GEANONIMISEERD]) over te maken.
**Vraag**
Moet de dwangsombeschikking in dit geval, ondanks het verstrijken van de (tweeweken)termijn voor de vaststelling daarvan ex artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsnog worden genomen of kan het afgeven van een dwangsombeschikking worden geweigerd op grond van verjaring van het recht op uitbetaling van een dwangsom vanwege het late verzoek daartoe van belanghebbende?
**Antwoord**
De dwangsombeschikking dient alsnog te worden afgegeven. Op grond van artikel 4:18 Awb dient het bestuursorgaan de (materiële) verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom te formaliseren middels het afgeven van een dwangsombeschikking, en wel binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom was verschuldigd. Het verstrijken van deze termijn uit artikel 4:18 Awb ontslaat het bestuursorgaan niet van zijn verplichting om (alsnog) de dwangsombeschikking af te geven. Dat belanghebbende hier pas laat om verzoekt doet daar niets aan af. De inspecteur kan zich niet beroepen op verjaring van de dwangsom. Verjaring is hier niet aan de orde.
**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
**Wettelijk kader en wetsgeschiedenis**
In artikel 4:17 van de Awb is opgenomen, voor zover van belang:
“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.”
Artikel 4:18 van de Awb vermeldt voorts:
“Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.”
In artikel 4:87 Awb is opgenomen, voor zover van belang:
“1. De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.”
Artikel 4:100 Awb luidt als volgt:
“Indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, is het wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.”
In artikel 4:104 Awb vermeldt voorts, voor zover van belang:
“1. De rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.”
Artikel 8:55c Awb bepaalt:
“Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611ic en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.”
In artikel 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat voorts, voor zover van belang:
“1. Een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is.”
Bij de parlementaire behandeling is het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2004/05, 29934, nr. 6, p. 10-16):
"Het bestuursorgaan moet de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom eigener beweging bij beschikking vaststellen (eerste lid). Wanneer het bestuursorgaan alsnog een beschikking heeft genomen op de aanvraag of op het bezwaar, zal het de hoogte van de dwangsom in veel gevallen tegelijk met die beschikking kunnen vaststellen en bekend maken. Is dit niet mogelijk, dan zal het dit in elk geval moeten doen binnen twee weken na de dag waarop de alsnog genomen beschikking aan de aanvrager is verzonden. Die dag is immers de laatste dag waarover in dat geval de dwangsom verschuldigd is, tenzij al eerder het maximumbedrag van € 1000 werd bereikt. In dat laatste geval moet de vaststellingsbeschikking genomen worden binnen twee weken na de dag waarop het maximum is bereikt.
De termijn waarbinnen betaald moet worden is gesteld op zes weken (tweede lid). Deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 4.4.1.3 uit het wetsvoorstel vierde tranche Awb (Kamerstukken II 2003-2004, 29 702, nrs. 1-2). De lengte van de betalingstermijn is daarmee gelijk aan die voor het instellen van bezwaar of beroep in artikel 6:7 Awb. Ook het tijdstip waarop de betalingstermijn ingaat wordt in beginsel op dezelfde wijze bepaald als bij de bezwaar- en beroepstermijn, doordat in aansluiting op artikel 6:8, eerste lid, de betalingstermijn gaat lopen nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De betaling moet binnen de gestelde termijn geschieden. Bij overschrijving op een bank- of girorekening betekent dit, overeenkomstig hetgeen ook in het privaatrecht geldt, dat tijdig is betaald indien het verschuldigde bedrag binnen de termijn op de rekening van de aanvrager is bijgeschreven. Indien de aanvrager het niet eens is met de berekening van de hoogte van de dwangsom, kan hij daartegen op de normale wijze bezwaar of beroep instellen.”
**Verplichting tot afgeven dwangsombeschikking**
Uit bovengenoemd wettelijk kader volgt onder meer dat het bestuursorgaan de dwangsombeschikking ambtshalve dient te nemen (zie ook CRvB 18 december 2012, nr. 11/983, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6581, en ABRvS 22 oktober 2014, nr. 201309489/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:3777). Een (herhaald) verzoek van belanghebbende/aanvrager daartoe is niet vereist. Indien het bestuursorgaan niet uit eigener beweging de dwangsom vaststelt levert dat strijdigheid op met artikel 4:18 Awb (CRvB 18 december 2012, nr. 11/983, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6581).
In veel gevallen zal het bestuursorgaan de dwangsombeschikking (kunnen) afgeven tegelijkertijd met het nemen van de beslissing op de aanvraag of uitspraak op het bezwaar. Als dit niet mogelijk is, dan zal het bestuursorgaan dit in elk geval moeten doen binnen twee weken na de dag waarop de alsnog genomen beschikking of uitspraak is verzonden. Is het maximumbedrag aan dwangsom al eerder bereikt, dan moet de dwangsombeschikking genomen worden binnen twee weken na de dag waarop het maximum is bereikt. Het bestuursorgaan dient de dwangsom vervolgens op grond van artikel 4:87 Awb binnen zes weken uit te betalen. Na deze betalingstermijn van zes weken is het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd over de dwangsom (zie onder meer CRvB 17 augustus 2016. ECLI:NL:CRVB:2016:3136). De dwangsombeschikking is zelf geen beschikking op aanvraag, zodat het bestuursorgaan geen dwangsom kan verbeuren over het niet tijdig nemen van die beschikking (vergelijk ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290 en ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448).
Zowel uit de wettekst als de parlementaire geschiedenis valt niet af te leiden dat met artikel 4:18 Awb een fatale termijn is beoogd. Met dien verstande dat verstrijking van deze termijn belanghebbende niet kan worden tegengeworpen indien het bestuursorgaan, om welke reden dan ook, de dwangsombeschikking niet heeft afgegeven binnen de wettelijke termijn. In de jurisprudentie is hier ook geen andere uitleg aan gegeven.
Tegen de dwangsombeschikking staat bezwaar en beroep open. Een brief waarin het bestuursorgaan zich op het standpunt stelt dat geen dwangsom is verschuldigd kwalificeert ook als een beschikking in de zin van art. 4:18 Awb (zie ABRvS 21 november 2012, nr. 201113260/1/A4, ECLI:NL:RVS:2012/BY3705, en ABRvS 19 oktober 2016, nr. 201600715/1/A3, ECLI:NL:RVS:2016:2739). Rechtbank Gelderland overwoog dat de weigering tot het afgeven van een dwangsombeschikking moet worden opgevat als een afwijzing van het verzoek tot toekenning van een dwangsom (Rechtbank Gelderland 21 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6777).
**Beroep op verjaring om beschikking niet (meer) te nemen**
De verjaringstermijn (van vijf jaren) uit de Awb (zie artikel 4:104 Awb) sluit aan op voormelde betalingstermijn. Het verstrijken van de betalingstermijn doet de verjaringstermijn aanvangen. Nu de betalingstermijn pas ingaat nadat de (dwangsom)beschikking op de juiste wijze is bekendgemaakt, kan de verjaringstermijn niet worden gebruikt om het nemen (en dus bekendmaken) van een dwangsombeschikking te voorkomen.
In hoofdstuk 8 van de Awb wordt voorts nog verwezen naar een verjaringsartikel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hiermee wordt een verjaring van de dwangsom na zes maanden bepaald. Niettemin kan in de voorgelegde casus niet bij deze bepalingen worden aangesloten. Artikel 8:55c Awb is niet -meteen- van toepassing bij een (nog) niet genomen dwangsombeschikking door de inspecteur maar ziet op de vaststelling van een dwangsom door de rechter bij een gegrond beroep tegen het niet nemen van een besluit. Zolang er geen beroep is ingesteld door belanghebbende, tegen het niet (tijdig) nemen van de dwangsombeschikking, is hoofdstuk 8 van de Awb (en daarmee ook artikel 8:55c Awb) niet aan de orde.
**Conclusie**
Gelet op al het bovenstaande moet worden aangenomen dat het bestuursorgaan zich niet kan onttrekken aan de (wettelijke) plicht om de dwangsombeschikking af te geven. Dat belanghebbende (veel) later nog om de dwangsombeschikking verzoekt, maakt dit niet anders. De inspecteur kan zich ook niet beroepen op verjaring van de dwangsom.
Geef een reactie